ShortThrill Bewijsdrang

De laatste stralen van de zon losten op in de lucht boven het geheuvelde landschap waar Diederik vanuit zijn zolderraam op uitkeek. Dit was het moment. Hij trok zijn winterdeken uit de verhuisdoos, rolde hem op en plaatste hem op zijn bed. Met zijn zomerdeken dekte hij de rol toe. De grote zaklamp duwde hij langs zijn bidon en het brood in zijn rugzak en snoerde hem dicht. Zijn trui had er niet meer ingepast. Noodgedwongen had hij hem aangetrokken. Het benauwde hem, het kwik reikte op deze zwoele zomeravond nog ver boven de twintig graden. Diederik wrong zijn armen door de hengels van zijn rugtas en stilletjes opende hij het raam. Hij tilde zijn been op en stapte met zijn sneaker op de vensterbank. Met zijn rechterhand greep Diederik naar de tak van de dikke eikenboom naast het huis. Behendig slingerde hij zijn benen om de tak en schoof dichter naar de stam tot hij de volgende tak kon bereiken. Diederik klauterde naar beneden en sprong vanaf de onderste tak naar de grond. Vanaf deze plek was hij niet zichtbaar voor zijn ouders die waarschijnlijk in de achtertuin aan de wijn zaten. Hij rende de voortuin uit en sprong op zijn fiets.

De schemering had plaatsgemaakt voor het donker toen Diederik op de afgesproken plek aankwam. Vincent, Joost en Max zaten in het gras en keken op van het geknisper dat de banden van Diederiks fiets veroorzaakten.
‘We dachten dat je niet meer zou komen,’ riep Max, terwijl hij opstond. Vincent fronste gespannen zijn wenkbrauwen en ging achter Max staan.
‘Ben je er klaar voor?’ vroeg Joost, terwijl hij op Diederik afliep. Diederik glimlachte zelfverzekerd.
‘Ik heb alles bij mij,’ en gaf een knikje in de richting van zijn rugtas.
‘Mooi,’ zei Max. ‘Joost heeft het slot al opengebroken.’
‘Hoe weet ik wanneer de tijd om is?’
‘We zullen roepen als de zon opkomt,’ zei Max. Diederik voelde een kriebel in zijn onderbuik. Een licht spoortje van angst en twijfel. Hij liet het niet merken. Dit was zijn kans om nieuwe vrienden te maken. Hij moest zich bewijzen.
‘Doe je het?’ vroeg Joost.
‘Natuurlijk,’ zei Diederik ferm. In drie stappen was Joost bij de zware ijzeren deur met het hangslot dat hij een half uur geleden met een koevoet had opengebroken. Diederik haalde zijn tas van zijn rug, trok de knoop uit het koord, waardoor de tas opende en haalde zijn zaklamp eruit. Hij schoof de knop omhoog. De bundel licht sneed door het donker en verlichtte het waarschuwingsbord naast de ingang.
‘Succes.’ Joost sloeg met zijn vlakke hand op de schouder van Diederik, terwijl hij voorbij liep de opening van de mergelgrot in.
‘Heb je extra batterijen meegenomen?’ riep Vincent hem na.
‘Heb ik. Komt goed!’ klonk de stem van Diederik door het gangenstelsel van de grot. Joost duwde de zware deur dicht en begon te gniffelen.
‘Ssshtt,’ siste Max en fluisterde, ‘kom, we peren hem.’ Vincent bleef staan en schudde zijn hoofd.
‘Vince, kom nou,’ gebaarde Joost.
‘Dit was niet wat we hadden besproken. Diederik gelooft ons.’
‘Dat is juist de grap, Vince. En nou geen gelul meer. Ik moet over een kwartier thuis zijn,’ siste Max en hij sprong op zijn fiets. In het voorbijgaan gaf hij een trap tegen de fiets van Diederik die van de heuvel gleed en in een geul tot stilstand kwam. Joost rende achter Max aan en sprong achterop. Vincent stapte stilzwijgend op zijn eigen fiets. Pas bij het einde van het grindpad, waar de geplaveide weg begon, keek Vincent nog eenmaal achterom. De ingang van de grot was vanaf hier niet meer zichtbaar.

Diederik volgde de aanwijzingen op die Max eerder vandaag had gegeven. Hij liep een tijd, wat voelde als een half uur, door een nauwe vochtige gang tot hij uitkwam in een grote holle ruimte. Precies zoals de jongens hem vanmiddag hadden verteld, stonden overal waar hij met zijn zaklamp scheen tekeningen op de muren. Diederik keek zijn ogen uit. Hij liep verder en verder, gang na gang, afslag na afslag, willekeurig naar links en naar rechts, vol verbazing over de schoonheid van hetgeen hij zag.

De afstap kwam onverwachts. Voor hij er erg in had verloor Diederik zijn evenwicht en viel. Met een harde klap landde de zaklamp op de grond en dompelde de omgeving in hetzelfde ogenblik in het aardedonker. Vlug taste Diederik op de plek waar hij de zaklamp had horen vallen en schoof het knopje naar beneden. Er gebeurde niets. Hij schoof de knop terug, maar wat hij ook probeerde de zaklamp gaf hem geen licht.

In Diederiks hoofd raasden de gedachtes met een ongekende snelheid dwars door elkaar heen. Hij dwong zichzelf om helder na te denken, maar de opkomende paniek kon hij niet tegenhouden. Zijn hartslag versnelde en de angst groeide. Hoe was hij gelopen? Hoe vaak was hij afgeslagen? Hoe kon hij in godsnaam de weg terug vinden? Wankel op zijn benen stond hij op en draaide zich om, richting de gang waar hij vandaan kwam. Met zijn linkerhand reikte hij naar de wand tot zijn vingers het koele mergel raakte en begon te lopen. De gruizige muur scheurde zijn vingertoppen meter na meter na meter. Bij iedere afslag probeerde hij zich te herinneren wat hij had gedaan. Naar links of naar rechts. Op de gok liep hij tastend de volgende gang in, in de hoop op een weg die zou leiden tot een uitgang.

Hij liep en hij liep. De tijd versmolt tot een oneindige reeks voetstappen en het donker vlocht de dagen aan elkaar. Diederik stopte enkel voor een slok uit zijn al maar lichter wordende bidon of een hap van het brood dat steeds kleiner werd. Hij proefde de ijzeren smaak van het bloed van zijn afgesleten vingertoppen dat zich had vermengd met het brood in zijn handen. Vermoeidheid teisterde zijn spieren en overmeesterde de controle over zijn voeten. Steeds minder gewillig namen ze de volgende stap tot ze uiteindelijk staakten en zijn knie de grond raakte. Zijn andere knie volgde. Op handen en knieën kroop hij door. Vechtend voor een uitweg. Al langzamer en langzamer.

Zijn bidon was leeg, zijn brood was op. De honger en dorst waren geleidelijk aan verdwenen. Steeds minder wist door te dringen tot Diederiks bewustzijn. Zijn ellebogen knikten door. Zijn hoofd werd te zwaar en zijn wang raakte de grond. Ergens diep van binnen was Diederik opgelucht. Zijn strijd was gestreden. Hij rook het mergelstof dat meekwam bij iedere inademing. Hij hoestte met het laatste beetje kracht dat hij nog bezat tot ook dat was uitgeput.

Het televisiescherm aan het uiteinde van het bed projecteerde voor de zoveelste keer de foto van de vijftienjarige jongen waar het nieuws al dagen bol van stond. Trillend van angst drukte Vincent zijn telefoon tegen zijn oor, terwijl hij de woorden stamelde die Max en Joost hem verboden hadden te spreken.
‘Ik weet waar Diederik is.’ Terwijl de agent aan de andere kant van de lijn tegen hem sprak, gleed de telefoon uit Vincents handen. Zijn adem stokte. Op het televisiescherm verscheen de ingang van de grot waar een brancard bedekt met een wit laken naar buiten werd gereden.


Meer lezen van Sietske Scholten?
Ontvang 25% korting
op de bestseller
BEET
met de couponcode: BEET25%
Klik hier voor meer informatie: BEET