Top 10

sinds 2017 op Bol.com

91.000+

lezers ontvangen de nieuwsbrief

120.000+

lazen haar boeken

Hoofdstuk 30

Waas

Schokkend van verdriet ligt Philein in het natte gras, haar schouders trekken samen bij elke ademhaling. Waarom was ze niet bij Idise in slaap gevallen vannacht? Dan had ze haar gehoord. Dan was ze wakker geworden van de bewegingen op de kleine vide, het kraken van de ladder, de klik van de deurklink. Waarom? 

Ze hapt naar adem, maar het is alsof er geen zuurstof meer in de lucht zit. De telefoon glijdt uit haar hand en landt met een zachte plons in het gras. 
Haar kleding is doorweekt van het water dat door de stof van haar broek en trui is gekropen. Haar vingers zijn blauw van de kou en haar haren kleven in dunne slierten aan haar slapen, maar het doet haar niets meer. Zonder Idise maakt niets haar nog uit.
Ze is dood.

Idise is dood.
De woorden trillen door haar hoofd, maar de omvang kan ze amper bevatten, alsof de betekenis ergens buiten haar lichaam blijft hangen, ongrijpbaar en onverdraaglijk tegelijk. Hoe kan ze ooit verder?

Een ruwe, vochtige tong likt langs haar huid en breekt de waas waarin ze verkeert een beetje open. Voor haar gezicht verschijnt de hond. Hij drukt zijn natte snuit tegen haar wang en piept zacht alsof hij haar verdriet voelt. Met haar hand aait ze door zijn dampende vacht en snikt, terwijl de man met de paraplu naast haar hurkt.

‘Meisje, ik weet niet wat er aan de hand is, maar je trilt helemaal,’ zegt hij. ‘Je kunt niet hier blijven. Je bent kletsnat. Kom, mijn huis is vlakbij. Ik help je.’

‘Marijn,’ kreunt ze. Haar stem is nauwelijks meer dan een ademstoot.

De man pakt zijn telefoon uit het gras, wrijft hem droog aan zijn mouw en brengt hem naar zijn oor.


‘Hallo?’ zegt hij kort.


Philein tilt haar hoofd iets op. Elke beweging kost haar moeite. 

‘In het Thorbeckeplantsoen in Westgouw…’ hoort ze de man tegen de telefoon zeggen. ‘Wat zegt u?... Oh, wat verschrikkelijk… Ze is zonder jas. Helemaal doorweekt… Geen idee… Ja, ik begrijpt het… Ik neem haar mee naar mijn huis. Ik woon om de hoek. Korte Zandstraat 34 in Westgouw… Ja… Dat is goed… Tot zo.’

Hij stopt de telefoon terug in zijn jaszak en kijkt haar bezorgd aan. 

‘Je vriend komt eraan,’ zegt hij. ‘Kom maar met mij mee. Daar zal hij je ophalen.’


De man pakt haar onder haar arm. Zijn vingers grijpen haar stevig maar voorzichtig vast en hij helpt haar overeind. Haar benen buigen bijna weg onder haar gewicht, maar hij houdt haar vast met een hand onder haar elleboog, de andere om haar schouder.

Leunend tegen de man aan zwalkt ze door het park. De hond loopt met hen mee, dicht tegen haar been. Zijn vacht glinstert van de regen. Boven hen hangt de grijze lucht. Verderop loeit nog steeds de sirene, dof en ver, gedragen door de sterke wind. Ze hoort hem, maar zonder Idise heeft ze geen reden om te vechten of te vluchten. Er is geen richting meer, geen keuze, geen doel. 

Ze laat zich leiden door de man tot hij aan de rand van het park bij een rij lage huizen met voortuintjes, elk omzoomd door natte heggen en uitgebloeide bloembakken, het tuinhekje van een van de huizen openslaat. De scharnieren piepen. De hond dringt zich kwispelend tussen hen in, met zijn tong uit zijn bek, en springt met zijn voorpoten tegen de voordeur aan.



‘Ach meisje toch,’ zegt de man tegen Philein als hij de voordeur heeft geopend. Voorzichtig laat hij haar los in de hal. ‘Ik zal wat droge kleding voor je pakken.’
Het water druipt van haar haren op haar natte vest. De kou heeft bezit van haar genomen. Via haar spieren kruipt hij naar haar botten, tot het laatste beetje levenswarmte oplost en er niets van haar overblijft dan een uitgeholde schil.

De man hangt zijn jas op, schudt de paraplu uit boven de mat en veegt de modder van zijn schoenen. De geur van natte hond en vers gezette koffie hangt in de kleine hal. Aan de kapstok hangen jassen in verschillende tinten bruin en grijs, en op het kastje bij de muur staat een porseleinen beeldje van een hond met een gebroken oor.

‘Trek je schoenen maar uit,’ zegt hij, terwijl hij met zijn kin naar de woonkamer knikt. ‘Ik loop even naar de kledingkast in mijn slaapkamer.’

Philein knikt nauwelijks en bukt. Onverbiddelijk trekt de zwaartekracht aan haar. Ze verliest haar evenwicht en valt op haar zij. Met trage bewegingen trekt ze haar modderige schoenen uit, rolt haar kletsnatte sokken op en duwt ze in de schoenen.


Dan verschijnt de man weer in de hal. In zijn handen houdt hij een opgevouwen handdoek en een versleten joggingpak.


‘Hier,’ zegt hij vriendelijk. ‘Het is niet veel, maar wel droog. De badkamer is daar, om de hoek.’


Ze neemt het aan met trillende handen.


‘Dank u,’ fluistert ze.


Opnieuw helpt hij haar overeind. Haar lichaam voelt zwaar en verdoofd als ze de woonkamer inlopen. De hond volgt haar en duwt zijn kop tegen haar knie. 
Op de salontafel liggen een stapel tijdschriften, een open krant en een mok met een theezakje dat over de rand hangt en vanuit de keuken klinkt het geluid van een radio.


‘Deze deur,’ herhaalt de man en hij opent hem voor haar. ‘Ik zal wat thee maken. Doe rustig aan.’

Als Philein de trui heeft aangetrokken en de joggingbroek naar boven hijst, vangt ze enkele woorden op die door de deur van de badkamer dringen. Ze gooit de deur open en rent de woonkamer binnen.   


‘…heeft speurhonden en een helikopters ingezet,’ hoort ze de stem zeggen vanuit de radio op het aanrecht in de keuken. ‘Ook wordt gekeken of het driejarige meisje mogelijk in zee is geraakt. Tot nu toe heeft dat niets opgeleverd. De politie roept getuigen op zich te melden. Het treinverkeer rond Utrecht is vanmorgen ernstig ontregeld…’ vervolgt de stem. 


Ze zoeken nog. Ze is nog niet gevonden.

Haar hart beukt tegen haar ribbenkast en een warme gloed van opluchting verspreidt zich door haar lichaam.

Er is nog hoop.

De hond die in de mand is gaan liggen, tilt zijn kop op, alsof hij iets hoort en een fractie later klinkt de bel. 
Philein stormt naar de voordeur, grijpt de klink en rukt hem open.


‘Marijn!’ roept ze uit als ze hem ziet staan. Zijn haar is nat van de regen, zijn gezicht gespannen.


Ze stormt naar buiten en stompt hem met beide vuisten tegen zijn borst.


‘Hoe kun je mij dit aandoen?!’ schreeuwt ze met overslaande stem. ‘Je zei dat ze haar hadden gevonden! Je zei dat Idise dood was!’ Haar adem stokt. Tranen prikken achter haar ogen van het diepe verdriet dat ze zojuist nog voelde. ‘Waarom zei je dat, Marijn? Waarom?!’


Onophoudelijk blijft ze slaan tegen zijn borst.


‘Philein,’ zegt hij kalm en hij grijpt haar polsen. ‘Rustig. Luister even naar me.’

‘Nee!’ Ze trekt zich los. ‘Ze leeft! Ze is daarbuiten, snap je dat niet, Marijn? We moeten…’

Hij stapt dichterbij en legt zijn armen om haar heen. Ze wil zich losrukken, maar hij houdt haar stevig vast.

‘Idise is dood, Phi,’ zegt hij. ‘Al maanden.’


‘Waar heb je het over?’ schreeuwt ze uit. Ze doet een nieuwe poging om hem van zich af te duwen. ‘Je liegt,’ zegt ze resoluut. ‘Ik heb haar gisteravond nog naar bed gebracht. Ze lag onder haar dekentje met het konijntje, ze…’ Ze klampt zich aan haar eigen woorden vast. Ze weet het zeker. ‘Ze huilde. Ik hield haar vast. Ik wiegde haar in slaap. Ze… ze ademde, Marijn. Ze leeft.’


Hij slikt.


‘Kom met me mee, Phi,’ zegt hij zacht en hij perst zijn lippen op elkaar. 


Ze schudt haar hoofd. Eerst langzaam, dan sneller.


‘Nee. Ik moet naar haar toe. Ze weet niet waar ik ben. Als ze wordt gevonden… Ze zal bang zijn.’ Haar adem hapert.


Voorzichtig pakt Marijn haar gezicht tussen zijn handen en neemt een diepe hap lucht.  


‘Ze komt niet meer thuis,’ zegt hij.


‘Nee. Dat is niet waar.’ 


‘Ik zou willen dat het niet waar was. Kom, Phi,’ zegt hij smekend. De tranen staan in zijn ogen. ‘Kom met me mee. Ik zal het je laten zien.’

Deel je gedachtes

met de groep

Het leuke van een BlogThriller is dat je niet in je eentje leest, maar samen met een hele groep andere lezers. Iedereen ontvangt op dezelfde dag hetzelfde hoofdstuk en in onze besloten Facebookgroep praten we erover verder.

👉 Hoe vond jij dit hoofdstuk?
👉 Welke verdenkingen heb je?
👉 Of welke vragen spoken er door je hoofd?

Het is zo gezellig om te lezen hoe iedereen het verhaal beleeft. Soms zie je dingen die een ander helemaal gemist heeft, of denk je opeens: hé, daar zou wel eens iets achter kunnen zitten!

Ik zou het heel leuk vinden als je erbij komt en je gedachten deelt. Samen lezen maakt het verhaal nog spannender én gezelliger.