sinds 2017 op Bol.com
lezers ontvangen de nieuwsbrief
lazen haar boeken

‘Het is mijn schuld,’ fluistert Philein. Ze slaat kort haar ogen neer, maar haar blik glijdt direct naar de witte steen voor haar voeten, waar de naam van Idise glanst in het natte marmer. Een windvlaag speelt met haar haren en in het zachte bewegen voelt ze iets verschuiven.
Ze beseft wat ze doet. De schuld verlamt haar, maar opeens ziet ze dat het daar helemaal niet over gaat. Niet over schuld. Niet over oordeel of verwijt.
Haar gedachten dwalen af langs de momenten waarop ze zich liet meesleuren, waarin ze het liet gebeuren, waarin ze vluchtte in ontkenning en drank.
Al die tijd had ze gedacht dat ze werd overmand door het lot, door verlies, door gevangenschap. Maar het was niet de wereld die haar gevangen hield. Ze had zichzelf vastgezet. Het was haar eigen overtuiging geweest dat ze klein was, onwaardig, zwak en gebroken.
Daarom hadden Harolds woorden vat op haar gehad, daarom had ze hem telkens opnieuw haar grenzen laten overschrijden. Niet omdat hij werkelijk macht had, maar omdat zij dacht dat ze geen keuze had.
Maar het was niet Harolds schuld. Net zomin was het de hare.
Het was een onbewuste herhaling van pijn, een kringloop waarin ze telkens terugkeerde naar wat ze ooit niet had durven voelen.
Ze knikt in zichzelf en ze kijkt naar de steen. Ze hoeft niet langer bang voor te zijn voor wat er gaat komen. Ze is klaar om eruit te breken. Om te gaan voelen, om het aan te gaan, om te blijven. Wat de uitkomst en de gevolgen van Hailey’s verdwijning ook zullen zijn, Philein voelt dat ze de kracht in zich heeft om het te dragen.
‘Wat er ook is gebeurd met Hailey,’ zegt ze vastberaden en richt haar blik naar Marijn, ‘ik wil het onder ogen zien.’
‘Je klinkt anders,’ zegt Marijn verbaasd.
‘Ik moet terug, Marijn,’ zegt ze en ze veegt met haar handen de traansporen van haar wangen. ‘Ik wil niet meer vluchten voor wat ik heb gedaan. Ik wil weten wat er werkelijk is gebeurd. Voor Hailey. En voor mezelf.’
Hij knikt langzaam.
‘Dan ga ik met je mee.’
Ze schudt haar hoofd.
‘Je hoeft mij niet te redden,’ zegt ze. ‘Maar je mag wel naast
mij lopen.’
Hij glimlacht kort.
‘Dan lopen we samen,’ zegt hij.
Philein kijkt nog één keer naar Idises steen en draait zich
dan terug naar Marijn. ‘Laten we gaan,’ zegt ze.
In stilte lopen ze het slingerende grindpad af, door het geopende hek van de begraafplaats, naar de parkeerplaats in het bos. Bij de parkeerhaven geeft Marijn een klein tikje tegen de afstandsbediening van de sleutel. De richtingaanwijzers knipperen kort.
Philein opent de bijrijdersdeur, stapt in, trekt de veel te grote jas om zich heen en sluit het portier met vaste zekerheid, terwijl Marijn de motor start.
‘Laten we via de duinweg rijden,’ zegt Philein. Haar stem klinkt rustig. ‘Dan zijn we er in vijf minuten.’
Terwijl de bomen langs haar glijden, de donkere stammen, de koperen herfstbladeren op de grond kijkt Philein niet weg als de film in haar hoofd wordt herhaald. Het krijsen van het meisje. Hoe ze haar op de ladder zette, het matras optrok en haar stevig tegen zich aanklemde. Dit keer duwt ze niets weg. Ze laat het toe, stukje bij beetje.
‘Als we daar zijn,’ zegt Marijn. Hij houdt zijn blik gericht op de weg, ‘blijf jij in de auto. Ik ga eerst...’
‘Nee,’ zegt ze. ‘Ik moet zelf gaan.’
Marijn zwijgt.
‘Wat er ook gebeurt,’ gaat ze verder, ‘het is goed.’
Hij knikt langzaam.
‘Oké,’ zegt hij, terwijl hij de auto het bos uitrijdt in de richting van de duinen.
Marijn mindert vaart als hij bij de strandopgang de bocht neemt naar de parkeerplaats beneden waar het krioelt van mensen. Politiewagens, brandweer, busjes van de pers, mensen met fluorescerende vestjes. Een helikopter in de verte stijgt op boven de duinen. Philein hoort het doffe dreunen van de rotorbladen. Alles beweegt, zoekt, rent. Maar in haar is het rustig.
Marijn zet de auto aan de rand van het terrein, ver van de drukte.
‘We kunnen beter even wachten tot...’
‘Nee,’ zegt Philein kalm. Ze legt haar hand op de deurhendel. ‘Ik ga.’
‘Philein.’
Ze kijkt hem aan.
‘Ik ben niet hier om te schuilen,’ zegt ze en ze stapt uit.
De koude lucht snijdt langs haar wangen, haar haren waaien los in de zeebries. Ze sluit de deur achter zich en blijft even staan, terwijl de hectiek om haar heen beweegt als een storm die haar niet meer raakt.
Boven op de top van het duin, bij de strandopgang, is het een chaotisch tafereel van blauwe zwaailichten en reflecterende jassen. Een groep agenten staat gebogen over kaarten en foto’s op een motorkap. Honden blaffen ongeduldig, hun riemen strak in de handen van hun begeleiders. Een drone stijgt op, een scherp zoemend geluid dat de lucht doorsnijdt.
‘Phi,’ hoort ze opeens een vrouw roepen.
Philein draait haar hoofd.
Meryl komt de helling opgerend.
‘Het spijt me zo dat ik je in de steek heb gelaten. De afgelopen maanden heb ik veel aan je gedacht, maar ik durfde geen contact met je op te nemen. Als ik alles terug kon draaien...’
‘Ik weet het,’ zegt Philein.
‘Toen ik je naam op het nieuws hoorde...,’ Meryl aarzelt. ‘Nou ja, ik wil dat je weet dat ik er voor je ben en je steun. Wat er ook is gebeurd.’
Philein glimlacht.
‘Ik heb je gemist, Meryl,’ zegt ze beslist, ‘maar ik moet nu gaan,’ en ze werpt haar een kushand toe. ‘Ik spreek je later.’ Samen met Marijn loopt Philein verder, haar pas gelijkmatig, haar blik gericht op de strandopgang.
‘Mevrouw! Hier mag u niet komen!’ roept een agent zodra ze een rood-wit afzetlint naderen.
Twee anderen keren zich om en stappen op hen af. Philein stopt niet en ze tilt haar kin iets op.
‘Ik moet hier zijn,’ zegt ze rustig.
‘Dit terrein is afgesloten,’ zegt de agent, kordaat maar niet
onvriendelijk. ‘Er is een lopend onderzoek. Kunt u zich identificeren?’
Ze kijkt hem recht aan.
‘Mijn naam is Philein van Asselt,’ zegt ze zonder aarzeling. Even is het stil.
De agent voor haar verstijft, zijn blik flitst van haar gezicht
naar de collega naast hem, die zijn portofoon grijpt. ‘Centrale, we hebben contact met de vermiste vrouw. Herhaal: Philein van Asselt aanwezig bij de noordelijke strandopgang.’
Philein ademt langzaam in, terwijl het geroezemoes om haar heen aanzwelt. Ze ziet de verwarring, de spanning. Het gerucht verspreidt zich als een golf door het veld van mensen.
‘Ik ben hier vrijwillig,’ zegt ze. ‘Ik wil helpen zoeken.’ De agent voor haar aarzelt.
‘U begrijpt dat we u moeten meenemen voor verhoor?’ Ze knikt.
‘Ja. Maar eerst wil ik jullie iets laten zien. Het gaat om Hailey.’
De agent kijkt haar strak aan en knikt dan aarzelend.
‘Laat ons zien wat u bedoelt.’
Philein draait zich naar de strandopgang waar de zee zich uitstrekt tot aan de horizon. De bleke novemberzon staat hoog en diffuus achter een dunne sluier van nevel. De storm is overgetrokken. Het dichte wolkendek is uiteengeschoven in langsdrijvende wolken en laten stroken licht vallen op het natte zand.
Een van de agenten loopt naast Philein, de ander iets erachter. Marijn volgt zwijgend als ze de betonnen platen afstappen die overgaan in de houten vlonder.
Links ruist de zee, loom en zwaar na de storm. Rechts brandt het licht achter de ramen van strandpaviljoen Ravenszicht, waar mensen heen en weer bewegen als vage schimmen achter het beslagen glas.
Philein loopt voorop. De wind waait zacht langs haar wangen. Ze kijkt niet opzij, niet achterom. Haar pas is gelijkmatig, haar blik gefixeerd op de rij strandhuisjes in de verte.
Nummer na nummer glijdt aan hen voorbij tot Philein bij haar eigen huisje stopt. Een rood-wit lint is om de voorzijde gespannen. Het zand ligt op hopen tegen de traptrede, als resten van de nacht waarin alles heeft gewoed. Ze loopt naar de smalle strook tussen haar huisje en de volgende, maar de agent achter haar maakt een afwerend gebaar.
‘Mevrouw, wacht even...’
Maar Philein wacht niet. Ze hurkt, laat zich op haar knieën zakken en buigt naar voren om onder de vloer van het huisje te kijken, waar de houten palen de hele constructie dragen. De ruimte ertussen is smal, nauwelijks hoog genoeg om in te kruipen.
Ze tuurt in het donker en haar ogen passen zich aan aan het schaarse licht dat tussen de planken van het terras door valt. De voorzijde is afgesloten door de traptrede als opstap naar het houten terras, waar het zand hoog tegenaan ligt opgewaaid.
Langzaam ademt ze uit en voorzichtig legt ze haar hand op het zand. Een stuk plastic fladdert in de wind. Een verdwaald kinderschepje ligt half onder het zand.
‘Heeft iemand een zaklamp?’ vraagt ze, terwijl ze haar hoofd naar de agenten draait, die naast haar op hun knieën zitten. Eén van hen reikt haar er zwijgend één aan.
Philein zet hem aan en een felle lichtbundel weerkaatst tegen het hout. De straal zwaait heen en weer, schampt langs palen, glijdt over spinrag en klonten zeewier.
Op haar buik kruipt ze verder. De geur van zout, rottend zeewier en vochtig hout vult haar neus.
‘Daar...’ fluistert ze. Ze richt het licht dieper onder het terras, tussen twee palen ligt een bundeltje. De paarse jas, half bedolven onder een dunne laag zand. Uit de plooi steken twee kleine, gele laarsjes. Een lok donkere haartjes kleeft tegen de kraag.
Phileins hart slaat een slag over. De wereld trekt samen tot die ene plek in de lichtbundel. Ze voelt de kou in haar borst slaan.
Heel langzaam schuift ze dichterbij, het licht strak gericht op dat kleine lijfje verborgen onder het plankier.