sinds 2017 op Bol.com
lezers ontvangen de nieuwsbrief
lazen haar boeken

Aan de grond genageld staat Philein in het water. Haar volgelopen laarzen zakken dieper weg in het zand bij iedere golf die tegen haar benen beukt. Haar spijkerbroek is drijfnat. Een afgrijselijk gevoel van verscheuring verspreidt zich via haar buik haar hele lichaam door. Het vermorzelt haar. Het is te groot om te dragen. Te zwaar om mee te leven. Ze kan dit niet.
‘Nee,’ zegt Philein hardop tegen zichzelf en ze schudt met haar hoofd. ‘Dit is niet gebeurd.’
Ieder scenario van verdrinking duwt ze diep weg en resoluut draait ze zich om in de richting van het strand. Vanaf dit punt kan ze de hele rij identieke strandhuisjes overzien. In een parallelle lijn staan ze opgesteld langs het duin.
Idise is vast naar buiten gelopen en vergeten in welk strandhuisje ze moest zijn, terwijl ze buiten speelde. Misschien houdt ze zich schuil in een ander huisje of tussen twee huisjes in als beschutting tegen de zware windstoten.
Met haar laarzen vol water loopt Philein de branding uit, het strand op waar ze haar laarzen uitschopt. Op blote voeten rent ze naar het meest linker chalet in de rij en ze trekt aan de hendel van de deur. De deur geeft een centimeter mee, maar klapt vast tegen het grote hangslot. Philein zet een stap naar achteren en kijkt naar de andere chalets. De laatste gasten waren vorige week vertrokken. Voor zover ze kan zien, hangt er, op haar chalet na, overal een hangslot aan de deur. Klaar om ergens in de komende dagen van het strand te worden gehaald voor het winterseizoen.
Idise kan nergens anders binnen zijn dan in hun eigen huisje.
Via de smalle strook tussen de huisjes bereikt Philein de achterzijde via de nauwe gang tussen de chalets en het duin. Even verwacht ze Idise de hoek om te zien komen rennen, met haar paarse jas, gele kaplaarsjes, rode wangen en donkere krulletjes.
Vanaf hier kan ze kijken tot aan het laatste chalet aan de andere kant van de rij. In de zomer had het hier volgestaan met surfplanken, opblaasbare ligbedden, mountainbikes, emmertjes, schepjes en badlakens die over gespannen lijnen te drogen hingen in de zon. Maar het enige wat zich hier nu ophoudt, halverwege de rij chalets, is haar fiets met zijtassen en kinderzitje die ze tegen de achterwand van haar eigen chalet heeft gestald. Idise ziet ze niet.
Op hoog tempo doorzoekt Philein de ruimtes tussen de huisjes. Ze rent tot ze al hijgend bij het einde van de rij aankomt. Het allerlaatste huisje. Philein sprint de hoek om, maar ook hier is Idise niet. Haar voeten zijn vuurrood, haar spijkerbroek kletsnat en de wind waait dwars door haar trui, maar de kou is niet wat haar raakt. Het is de angst die haar het kippenvel bezorgt.
‘Nee, nee, nee,’ zegt ze beslist. Niet aan denken. Het is niet waar. Ze moet ergens zijn. ‘Idise’, schreeuwt ze zo hard ze kan. De wind vangt haar naam en draagt hem mee het duin op.
Philein klimt erachteraan. Opruiende zandkorrels belanden in haar ogen. Ze grijpt met haar vingers naar het helmgras om het steeds steiler wordende duin te beklimmen. Het stugge gras prikt in de zolen van haar voeten.
De wind duwt haar bijna omver als Philein de top bereikt en overeind gaat staan. Het landschap strekt zich uit met heuvels en dalen vol grassen, struiken en zand, waar ze gisteren nog wandelde met Idise.
In de verte ziet ze een helikopter vliegen door de lucht. Vanaf hier ziet ze zelfs de bosgrens.
‘Idise!’ gilt ze zo hard ze kan tegen het afgelegen vergezicht. Maar alleen de krijsende meeuwen en het loeien van de wind antwoorden haar geroep. Nergens ziet ze een paars stipje dat Idise zou kunnen zijn. Zou Idise echt in haar eentje deze beklimming hebben gemaakt en op eigen houtje het duingebied in zijn gelopen met haar kleine beentjes en haar koddige motoriek? Ze is nog zo klein, pas drie jaar. Philein kan het zich niet voorstellen. Het hele idee dat Idise alleen naar buiten is gegaan, is ondenkbaar. Idise zou de bank op zijn geklommen en op haar zijn gesprongen om haar wakker te krijgen en als het haar niet was gelukt, zou ze hard en onbedaarlijk zijn gaan huilen. Onmogelijk om doorheen te slapen. Hoe groot de kater ook is.
Idise moet wel in het huisje zijn. Het kan niet anders.
Half springend, half glijdend stort Philein zich van het duin af. Tussen twee chalets door rent ze naar de voorzijde, waar ze over de vlonder vliegt langs de rij huisjes tot ze haar eigen chalet bereikt. Ze trekt de luiken open en holt naar binnen waar het daglicht nu de hele ruimte beschijnt.
‘Idise!’ schalt Philein door het strandhuis. ‘Alsjeblieft, liefje. Laat mij weten waar je bent. Mama maakt zich zorgen.’
Gespitst luistert ze naar de geluiden in het huis. Ze sluit stevig haar ogen en smeekt dat ze de dribbelende stapjes hoort van Idises mollige voetjes. Maar op de gierende wind en haar eigen wild bonzende hart na is het stil. Ongerust opent ze haar ogen en kijkt in het rond.
‘Idise, geen grapjes nu. Mama is bang. Waar ben je?’
Nogmaals zoekt Philein het hele huisje af. Zelfs op plekken waar Idise onmogelijk in of tussen zou passen. Alles om er zeker van te zijn dat ze niets over het hoofd ziet.
Gehaast klimt Philein de ladder weer op als ze de hele benedenverdieping heeft uitgekamd. Haar knieën knikken. Paniekerig trekt ze de deken uit het hoeslaken en haalt nogmaals het matras omhoog om het op zijn kant te duwen.
De nauwe ruimte danst om haar heen. De vloer onder haar voeten lijkt te deinen, als een schip op woeste golven.
Machteloos grijpt Philein zich vast aan het dakspant. Pas nu merkt ze hoe snel ze ademhaalt. Duizelig laat ze zich zakken tegen de houten achterwand tot ze ineengezakt op de grond zit. Het stof dwarrelt om haar heen.
Idise is er niet.
In gedachten ziet ze hoe ze gisteravond Idises wangetje streelde toen ze eindelijk in slaap was gevallen. Waarom was ze niet naast haar gaan liggen? Het was zo laat geweest. Ze was moe. Waarom was ze niet gelijk met Idise gaan slapen? Dan was ze alert geweest. Waarom was ze niet sterker geweest om die fles te laten staan? Wat was er gebeurd vannacht?
Idises konijnenknuffeltje, denkt Philein en een steek schiet door haar buik. Ze was het nergens tegengekomen tijdens haar zoektocht. Zou het mogelijk zijn geweest dat Harold ’s nachts was teruggekomen? Ze denkt terug aan zijn bliksembezoek gistermiddag en het dreigement dat hij had uitgesproken. Had hij Idise zonder pardon uit bed gehaald en meegenomen zonder het Philein te laten weten?
De gedachte jaagt haar angst aan én geeft opluchting tegelijk. Dan ligt Idise tenminste niet onderkoeld in de duinen of dobberend in zee.
Het kan niet anders. Harold heeft haar.