sinds 2017 op Bol.com
lezers ontvangen de nieuwsbrief
lazen haar boeken

De zeewind giert rondom het houten chalet. Het ochtendlicht kruipt door de kieren van de luiken naar binnen. Moeizaam komt Philein overeind op de doorgezakte bank. Hoelang heeft ze geslapen? Haar hoofd voelt als beton. Met haar hand drukt ze tegen haar voorhoofd in een poging de stekende hoofdpijn weg te masseren, maar de pijn wordt alleen maar erger.
Ze zet haar blote voeten op het zanderige vloerkleed, werpt de fleecedeken van zich af en staat op. Een rilling van de kou trekt door haar heen. De houtkachel die uren geleden het strandhuis had verwarmd, is ergens in de nacht gedoofd.
Onvast op haar benen strompelt ze naar het kleine overvolle keukenblokje waar de spaghetti met ketchup nog op de borden ligt die ze gisteren niet meer heeft opgeruimd.
Met trillende handen rommelt ze met het koffiezetapparaat. Zonder te tellen schept ze koffie in het filter, morsend op het aanrecht.
Alles voelt zwaar.
Haar voet stoot tegen de plastic pop die verlaten midden op de vloer ligt. Het stijve armpje wijst recht omhoog. Philein tilt de pop op en zet hem terug in het wagentje naast de speelgoedmand, achter de ladder naar de vliering.
In de kleine badkamer rolt ze haar onderbroek naar beneden en laat zich op het toilet zakken. Terwijl haar plas klettert in de pot, vangt ze haar blik in de spiegel boven de wasbak. Haar haren zijn één grote kluwen, vol zout en zand, haar gezicht bleek en opgezwollen. Ze schrikt van zichzelf en wendt snel haar hoofd af. De muffe geur van haar eigen zweet mengt zich met de zilte lucht die nog in haar huid hangt. Ze brengt haar neus dichter naar haar oksel en walgt. Misschien kan ze snel een douche nemen, denkt ze, om de nacht, het zweet, het zand en het zeewater van zich af te spoelen, maar ze heeft geen idee hoe laat het is. Idise kan ieder moment wakker worden.
Heel stilletjes klimt Philein de ladder op naar de vliering. Hoewel ze bijna niets ziet op de donkere vliering, kan ze de deken onderscheiden die als een bundel op het matras ligt. Er is nog geen beweging, denkt ze opgelucht, met de warme douche in haar gedachte. Geen kraaiende peuter die haar om de hals vliegt.
Philein zet haar knie op de vloer en kruipt zachtjes de vliering op om haar koffer te bereiken via de smalle strook naast het matras. Het hout kraakt onder haar gewicht en een kort moment houdt ze zich stil met haar focus gericht op de deken.
Nog steeds geen beweging.
Op de tast grijpt ze een spijkerbroek, t-shirt, trui, onderbroek en sokken uit haar koffer, terwijl haar ogen zich aanpassen aan het weinige licht. In haar draai om terug te keren, zoeken haar ogen naar de contouren van Idise. Hoe ligt ze?
Met de stapel kleding tegen zich aangeklemd, kruipt Phi lein het matras op. Het veert diep in onder haar handen en knieën. Ze buigt zich over de bundel. Ligt ze eronder?
Voorzichtig trekt Philein aan een punt van de deken in de verwachting dat Idises hoofd tevoorschijn komt. Ze blijft trekken tot het hele matras onbedekt voor haar ligt in de schemering. Idise ligt er niet.
Waar is ze, denkt Philein verschrikt. Is ze van het matras afgerold? Philein schiet naar voren. De stapel kleding gooit ze van zich af. Met haar handen voelt ze langs de randen van het bed waar de vliering en het schuine dak elkaar raken. Ze tilt de grote koffer op om te kijken of Idise erachter is gaan liggen.
Met bonzend hart wroet ze het matras een stuk omhoog. Eerst de ene kant, dan de andere kant. Binnen een minuut heeft ze de hele vliering ondersteboven gehaald.
Idise is hier niet.
‘Idise?’ roept Philein met een stem die ze nauwelijks herkent als haar eigen.
Hoe vaak heeft ze niet de angst gehad dat Idise naar beneden zou vallen. Ze durft nauwelijks te kijken. Bang voor wat ze gaat zien, kijkt ze voorzichtig over de rand naar beneden. Maar waar ze ook kijkt, Idise ziet ze niet. Waar kan ze zijn?
Vlug graait Philein haar kleding bij elkaar, gooit het over de rand naar beneden en kruipt achterwaarts terug naar de ladder waar ze haar blote voet op de sport zet.
Zou Idise echt alleen naar beneden zijn geklommen, vraagt Philein zich af als ze de trap afdaalt tot ze weer met haar voeten op de grond van het strandhuisje staat.
Rustig, blijf rustig, maant ze zichzelf.
‘Idise? Waar ben je, liefje?’ zegt ze met een bewust aangezette lichte stem om Idise niet te laten schrikken.
Philein zoekt onder de tafel, opent de deuren van de keu kenkastjes, kijkt onder de bank en achter de bank, in de badkamer, in de kast en achter de haard.
‘Geen verstoppertje spelen nu. Kom maar naar mama.’
Haar hartslag klimt verder omhoog, terwijl ze in haar gedachte teruggaat naar gisteravond. Naar het eindeloze gehuil. Het moment dat ze zichzelf niet meer kon weerhouden om de fles wodka te pakken en het glas vol schonk. Ze kan zichzelf wel voor haar kop slaan. Hoeveel had ze gedronken? Te veel om nog de ladder op te kunnen klimmen, weet ze.
Zou Idise haar hebben geroepen? Heeft ze ’s nachts nog gehuild? Was Philein echt zo ver heen dat ze met haar dronken kop daardoorheen heeft geslapen?
Wat is ze stom geweest.
Met een ruk draait Philein zich om naar de deur en ziet tot haar grote schrik dat er een dunne strook licht naar binnen dringt. De deur staat op een kier. Haar ogen flitsen naar het kinderjassenrekje. De jas van Idise is weg en ook haar laarsjes staan niet meer naast Phileins eigen laarzen.
De paniek neemt meer en meer bezit van haar. Met trillende handen grist ze razendsnel haar spijkerbroek van de grond. Springend en struikelend worstelt ze zichzelf zo snel mogelijk in de broek en schiet haar blote voeten in de laarzen.
Ze weet hoe ongeduldig Idise is als ze naar buiten wil. Hoe ze met haar kleine beentjes zo snel als ze kan over het zand rechtstreeks naar de zee toe rent. Hoe ze kirrend van vreugde door de branding spettert, zich van geen enkel gevaar bewust.
Het voelt alsof haar keel wordt dichtgeknepen.
‘Nee, nee, nee,’ kermt Philein en ze gooit de deur van het houten chalet open. De koude novemberwind slaat tegen haar gezicht. Ze doet een stap naar voren de houten vlonder op en ze kijkt naar het verlaten strand dat zich aan beide zijden uitstrekt tot zover haar oog reikt.
‘Idise?’ roept Philein tegen het natuurgeweld in. De wind bolt haar trui op en woelt door haar haren. ‘Waar ben je?’
Het aanzicht van de bulderende zee recht voor haar veroorzaakt een strakke band om haar maag.
Ze zal toch niet…
‘Idise!’ schreeuwt Philein, terwijl ze van de vlonder springt en het strand oprent. Moeizaam komt ze vooruit in het droge mulle zand, tot de laag steviger wordt. Ze speurt naar een teken van Idise. Voetstapjes, afdrukken van de zolen van haar laarsjes.
Is ze hier geweest? En hoe lang geleden? Heeft het tij de sporen al weggespoeld?
Nooit eerder heeft ze de zee gezien als haar vijand, maar nu rolt het gele schuim over het zand als kwijl van een hongerig beest dat woest het strand bestormt. Met de branding als klauwen die alles in zijn pad verslindt. Gulzig likt hij aan haar laarzen als Philein bij de waterlijn komt. Met iedere stap die ze zet verder het water in, voelt ze de kou toenemen dat door het dunne laagje plastic heendringt dat haar blote voeten scheidt met het monster.
'Idise?’ krijst ze in paniek in de richting van de horizon. ‘Nee!’
Ze slaat haar hand voor haar mond. Idise kan niet zwemmen. Niemand kan boven blijven in deze golven. De onderstroom zou haar meteen grijpen.
‘Oh, Idise,’ fluistert Philein, ‘Wat heb ik gedaan?'