Top 10

sinds 2017 op Bol.com

91.000+

lezers ontvangen de nieuwsbrief

120.000+

lazen haar boeken

Hoofdstuk 4

Leegte

Met Harolds stem tegen haar oor reageert Phileins lichaam sneller dan haar gedachten. Het enige wat ze hoort is de toon in zijn stem. De golfslag van woorden beukt tegen haar aan als zware branding. De betekenis slaat stuk tegen haar huid, maar de onderliggende dreiging kruipt in haar poriën en trekt naar binnen als zout water dat in elke wond prikt.

Het verlamt haar. De schuur om haar heen verdwijnt.

Dan welt in de leegte, als een echo van ver, het hoge stemmetje van Idise op.

‘Mama!’

Het geluid doorbreekt de duisternis en splijt een kier in de verlamming.

Harold heeft haar. Hij heeft Idise meegenomen.

Ze haalt haar telefoon van haar oor en drukt het gesprek weg. Ze heeft versterking nodig. Zo snel mogelijk. Al weet ze dat Harold ogenblikkelijk op de hoogte zal worden gebracht door zijn collega’s. Ze voelt hoe ze de strijd al verliest voordat hij begonnen is. Harold zal het verhaal naar zich toetrekken. Ze zullen hem geloven. En zij blijft achter als de dronken, instabiele moeder die niemand serieus neemt.

Maar zonder politie ís ze Idise al verloren. Zonder hen staat ze weerloos tegenover hem.

Met trillende vingers drukt ze het alarmnummer in en zet ze de telefoon weer tegen haar oor.

‘Alarmcentrale, wat is uw melding?’ zegt de centralist aan de andere kant van de lijn.

‘Mijn dochter.’ Haar stem breekt. ‘Ze is weg!’
‘Blijft u rustig, mevrouw. Hoe oud is ze?’
‘Ze is drie. Ze lag niet meer in haar bed toen ik wakker

werd.’
‘Wat is het adres?’
‘Huisje 18 op het strand bij Ravensduin. Kom snel.’ ‘Begrijp ik goed dat ze nu vermist is?’
‘Ja!’
‘Kunt u aangeven hoe laat u haar voor het laatst heeft gezien?’
‘Gisteravond.’
Opnieuw ziet ze in gedachten hoe ze haar gezichtje streelde

bij het zwakke licht van de brandende haard een verdieping lager, terwijl Idise nog zachtjes nasnikte toen ze eindelijk in slaap was gevallen. ‘Toen ze ging slapen.’

‘En hoe laat ontdekte u dat ze weg was?’
‘Een half uur geleden. Misschien langer.’
‘Kunt u een signalement geven? Wat droeg ze, hoe ziet ze

eruit?’
‘Ze had gisteravond een roze pyjama aan met paardenfiguurtjes. Haar paarse jas en haar gele laarsjes zijn ook weg. Ze heeft donkere krulletjes.’

‘Is er iemand met haar meegegaan, of heeft u aanwijzingen...’

‘Ik denk dat haar vader haar vannacht mee heeft genomen,’ zegt Philein en ze wacht op een reactie van de centralist. Maar het blijft stil aan de andere kant van de lijn.

‘Hallo?’ Philein klemt de telefoon harder tegen haar oor. ‘Hoort u mij?’

De stilte vreet in haar oren. Horen ze haar niet? Wordt er niet geluisterd?

‘Hallo?’ Ze haalt de telefoon van haar oor. Het scherm is zwart.

In paniek checkt ze de kabel en houdt de aanknop ingedrukt. Het lege batterij-symbool verschijnt met een dun rood streepje.

Phileins maag trekt zich samen. Denkt de centralist dat ze zomaar heeft opgehangen? Hebben ze genoeg gehoord? Is de melding goed doorgekomen? Komt de politie wel naar het strandhuisje? Met wachten tot haar telefoon weer aangaat en opnieuw bellen verspilt ze kostbare minuten. Ze moet terug.

Vlug trekt ze haar oplader uit het stopcontact en rent ze de schuur uit. Ze springt op haar fiets en zo hard ze kan scheurt ze in de motregen over het smalle pad door het bos in de richting van het strand.

De stevige zijwind rukt aan Philein terwijl ze doortrapt. De regen is opgehouden, maar haar kleren plakken koud en zwaar tegen haar huid.

Bovenop het duin bij de strandopgang doemt een politieauto op. Het witte voertuig met rood-blauwe strepen staat scheef en verlaten in de berm.

Zonder te stoppen jaagt ze de betonnen platen af naar beneden, richting het strand. Haar banden glijden gevaarlijk weg in het natte zand dat op het beton is gewaaid, en met haar voet vangt ze zichzelf op voordat haar fiets kantelt.

Her en der lopen mensen met honden over het strand, diep weggedoken in hun jassen,

In de verte, tussen de rijen chalets, doemen twee politieagenten op. Het felgele reflectiepatroon op hun regenjassen vangt het bleke ochtendlicht. De een, een man, maakt grote passen, de ander, een vrouw, houdt iets meer afstand, terwijl ze al zoekend de strandhuisjes aftasten.

Buiten adem komt Philein voor de agenten tot stilstand.
‘Ik had gebeld,’ hijgt ze. ‘Over mijn dochter... Ze is weg...

Mijn telefoon... Ik moest opladen...’
De oudste agent, een volle vrouw met korte blonde krullen

die onder haar cap uitkomen, heft een hand.
‘Rustig, mevrouw. We hebben de melding ontvangen.’ Philein knikt heftig.
‘Mijn dochter is drie. Haar jas en laarsjes zijn ook weg.’ Ze

wijst met trillende hand naar het huisje. ‘Nummer achttien.’ ‘Dan gaan we eerst even samen kijken. Gaat u voorop, alstublieft,’ zegt de jongere agent en hij tikt iets in op zijn telefoon.

Met haar fiets aan de hand loopt Philein voor de agenten uit over de vlonder naar haar chalet. Ze voelt hun blikken prikken in haar rug.

Haar fiets zet ze in de smalle doorgang tussen twee strandhuisjes en ze trekt de deur open van haar eigen chalet. Krampachtig houdt ze zich vast aan het kozijn, terwijl ze naar binnen kijkt. Ze beseft dat de chaos niet alleen haar wanhoop verraadt, maar ook kan ogen als achteloosheid, misschien zelfs onverantwoordelijkheid.

‘Ik heb overal in het wilde weg gezocht. Vandaar de rommel,’ verklaart ze haastig. Ze stapt opzij om plaats te maken.

De vrouwelijke agent knikt kort en loopt als eerste naar binnen. Haar ogen glijden langzaam door de ruimte. Ze kijkt naar de verschoven meubels, de openstaande kastjes, de verspreide kleren, het speelgoed en de keuken. De man volgt, met zijn telefoon in de hand.

‘Hier sliep ze... daarboven, op de vliering,’ zegt Philein en ze wijst naar de ladder. Haar stem slaat over. ‘Ik heb alles doorzocht, echt álles. Ze is er niet.’

De agenten wisselen een korte blik.
De vrouwelijke agent richt zich weer tot Philein.
‘Goed dat u ons heeft gebeld. We gaan systematisch kijken,

mevrouw. Wilt u op de bank gaan zitten en beneden blijven, alsjeblieft?’

De man zet zijn voet op de onderste sport van de ladder. Terwijl hij omhoogklimt, laat de vrouw haar blik opnieuw door de ruimte dwalen.

Met haar handen stevig om de handtas op haar schoot volgt Philein vanaf de bank haar blik en ze ziet hoe de ogen van de agente een fractie langer blijven hangen bij de halflege fles wodka op de afzuigkap en de vuile vaat die het kleine keukenblokje bedekt.

‘Is dit allemaal van uw zoektocht?’ vraagt ze rustig, terwijl ze een stap dichterbij zet.

Philein knikt gehaast.

‘Ik heb alles overhoopgehaald. Ik dacht dat ze ergens verstopt zou zitten.’

‘Geen kind hier,’ klinkt de stem van de agent vanaf de vliering.

De vrouwelijke agent richt zich weer tot Philein.

‘Dank u, mevrouw. We begrijpen dat dit heel heftig voor u is. We gaan u helpen.’ Haar stem klinkt beheerst.

De trap kraakt als de jongere agent weer naar beneden komt. Hij schudt zijn hoofd.

‘Op het eerste gezicht geen spoor boven.’
Dan richt hij zich tot Philein.
‘We moeten even een paar gegevens vastleggen. Hoe heet

uw dochter volledig?’
‘Idise... Idise van Asselt,’ stamelt Philein.
De man werpt een korte blik naar zijn collega, maar tikt

zonder iets te zeggen verder.
‘En haar geboortedatum?’ vraagt de vrouwelijke agent. Met trillende stem spreekt ze de datum uit.
‘En haar vader? Wie is dat?’ gaat de mannelijke agent ver-

der.
‘Harold van Asselt,’ zegt Philein, alsof de naam haar eigen

keel afknelt.
Heel even blijft het stil. De ogen van de vrouwelijke agent

vernauwen zich nauwelijks merkbaar. Haar collega stopt met tikken. Zijn duim hangt roerloos boven het scherm.

In Phileins oren suist het bloed, haar adem blijft steken. Kennen ze hem? Wat heeft hij op het bureau over haar verteld? Dat ze drinkt? Dat ze instabiel is? Dat ze onbetrouwbaar is als moeder?

Een golf van schaamte dringt zich omhoog in haar borst. Haar handen glijden van de tas op haar schoot naar de zoom van haar jas, die ze krampachtig bijeen knijpt. Ze durft haar ogen niet op te slaan. De lucht in de kleine ruimte lijkt dikker te worden, alsof elke ademhaling stroperig door haar keel glijdt.

‘Harold van Asselt. Rechercheur, klopt dat?’ zegt de agente bedachtzaam.