Top 10

sinds 2017 op Bol.com

91.000+

lezers ontvangen de nieuwsbrief

120.000+

lazen haar boeken

Hoofdstuk 9

Illusie

‘Ik ben gewoon zo bang,’ fluistert Philein.
Marijn knikt begripvol. Hij ademt diep in en schudt dan zijn jas van zijn schouders. Hij tilt het dekbed op en als vanzelf schuift ze een stukje opzij om plaats te maken voor hem. Zijn arm glijdt onder haar hoofd, zijn warmte sluit zich om haar heen.
Ze kruipt met haar neus in zijn nek en snuift de geur op die haar altijd had doen denken aan thuis, aan zekerheid, aan alles wat veilig voelde. Maar tegelijk hangt er iets benauwends in die nabijheid. Kon ze zich maar eeuwig verstoppen in zijn armen. Marijn zou haar beschermen, dat weet ze met heel haar hart.
Zijn hand strijkt langzaam door haar haar en hij drukt zijn lippen op haar voorhoofd.
‘Ik ben hier,’ zegt hij zacht.
Philein voelt hoe haar borstkas zich ontspant, hoe de lucht eindelijk weer vol haar longen instroomt na de benauwde twee weken die achter haar liggen. Ze sluit haar ogen in de rust die ze vindt in zijn armen.
Maar onmiddellijk flitst het beeld van Van Asten op in haar gedachten. Zijn doordringende blik, zijn stem, de tinteling die als elektriciteit door haar lijf trok, onweerstaanbaar en verlammend tegelijk.
Geschrokken opent ze haar ogen en ze draait zich van Marijn af. Op haar rug tast haar hand naar de zijne. Behoedzaam schuift ze zijn hand vanuit haar zij naar haar buik, naar de ronde welving onder haar ochtendjas, waar de vrucht van die ene middag onwetend ronddobbert.
Niemand hoeft te weten dat dit niet Marijns kind is.
Ze draait haar hoofd naar Marijn. Zodra hun blikken elkaar vinden, spreiden zijn lippen zich in een glimlach die haar tegelijk verwarmt en snijdt.
‘Oh, Phi… je hebt geen idee hoe vaak ik hiervan heb gedroomd.’
Zijn droom, ja. Niet de hare. Zijn blik had haar altijd het gevoel gegeven dat ze moest voldoen aan het ideaalbeeld van een gezin. Dat haar vrijheid zou oplossen in het keurslijf van het moederschap. En toch, precies dat wat haar altijd had beangstigd, voelt nu als haar enige houvast. Nu ligt hij hier, met zijn hand warm op haar zwangere buik. Al die jaren dacht ze dat zíj zelf de keuzes maakte die haar leven vormgaven. Maar misschien was dat altijd al een illusie. Waar heeft ze werkelijk zeggenschap over? Het overkomt haar en controle over het verdere verloop heeft ze net zo min. Waarom dan niet met Marijn?
Haar blik verzacht bij de gedachte en ze buigt zich traag naar hem toe. Zachtjes raken haar lippen de zijne, en hij beantwoordt haar kus zonder aarzeling. Ze voelt de warmte van zijn mond.
Dit kind gaat er komen, denkt ze en ze slaat haar armen om hem heen. Stevig trekt ze hem tegen zich aan. Ze kan het niet tegenhouden, niet terugdraaien. Dan liever samen met Marijn, besluit ze. En terwijl de donkere dagen van december langzaam oplossen in de eerste weken van het nieuwe jaar, sluipen Marijns spullen haar huis binnen alsof ze nooit zijn weggeweest. Zijn schoenen naast de hare in de gang, zijn scheermes op de rand van haar wastafel, zijn stapel boeken die zich mengt met de hare. Het voelt vertrouwd, alsof de maanden van afstand slechts een schim waren die door zijn aanwezigheid oplost.
Hij slaat zijn armen om haar heen terwijl ze staat te koken, legt zijn kin in de holte van haar nek en ze voelt hoe haar schouders zich ontspannen in zijn gebaar. ’s Avonds liggen ze samen op de bank, haar hoofd tegen zijn borst, terwijl de televisie de kamer vult met zacht flikkerend licht. Als vanzelf zoekt zijn hand haar buik, die met de week ronder en steviger wordt, en zij legt haar hand bovenop de zijne.
Ze hervat haar werkzaamheden, en op de dagen dat Marijn vrij is, zorgt hij, net als vroeger, dat de tafel gedekt is en de lunch al klaarstaat, zodat ze samen met Meryl kunnen eten alsof het nooit anders is geweest.
Moeiteloos tilt hij de boodschappentassen het huis in, pakt de vaatwasser uit, zet haar pantoffels voor de haard zodat ze warm zijn, en trekt haar terloops naar zich toe voor een kus. Onder de douche laat ze zich door hem aanraken, hun lichamen glijden langs elkaar. Zijn huid tegen die van haar, waar diep van binnen de herinnering aan Van Asten nog altijd sluimert. Schaterlachend smeert ze een veeg behangplaksel op Marijns neus, terwijl hij een strook papier strak tegen de muur plakt. Hun gelach weerkaatst door de lege babykamer, en voor het eerst durft ze zich toe te geven aan haar nieuwe leven. Speels kust hij haar haarlijn en ze voelt hoe de angst voor de toekomst begint te vervagen.
In de babyspeciaalzaak buigt hij zich over een kinderwagen. Zijn handen rusten vol trots op het frame en zijn ogen stralen. Zij glimlacht en laat hem kiezen, maar diep vanbinnen voelt ze hoe zijn vreugde haar hart tegelijk verwarmt en scheurt. Misschien is dit genoeg, houdt ze zichzelf voor.
’s Avonds in bed kust hij haar buik en hij fluistert zachte woorden tegen het kind. Beloftes van bescherming, van liefde, van een toekomst waarin hij zich allang vader voelt. Ze legt haar hand op zijn haren en voor het eerst in lange tijd glijdt ze zonder verzet de slaap in.

De ochtendzon staat laag boven het dorp als Philein met een zak warme croissantjes in haar hand de markt verlaat. Het voorjaar hangt in de lucht en mengt zich met de geur van versgebakken brood, zoete stroopwafels, hyacinten en koffie. Haar winterjas hangt losjes open terwijl ze de straat oversteekt en in de richting van haar Countryman loopt.
‘Philein!’ hoort ze plots vanaf de parkeerplaats. Het geluid snijdt door de zaterdagochtenddrukte en ze bevriest.

Langzaam draait ze zich naar het geluid.
Met grote passen ziet ze rechercheur Van Asten tussen de geparkeerde auto’s door naar haar toelopen. Kort zwaait hij met zijn hand in de lucht. Zijn ogen zijn gefixeerd op haar.
Elke vezel in haar lichaam spant zich als hij dichterbij komt. Ze wil naar haar auto rennen, maar haar benen weigeren. Ze blijft staan en ziet hoe de afstand tussen hen verkleint.
Als hij bijna naast haar staat, glijdt zijn blik naar beneden. Naar de opening van haar jas, naar de ronding die onmiskenbaar haar buik uittekent.
Vlug trekt Philein haar jas dichter om zich heen, maar het is al te laat.
‘Je…’ Zijn stem stokt en zijn adem klinkt gejaagd. ‘Je bent zwanger.’
Zijn ogen tasten haar buik af en het voelt alsof hij door haar buikwand heen kan zien dat het zijn kind is.
‘Hoe is het met je?’
‘Sorry,’ zegt ze schor. Ze tilt de zak met warme croissantjes omhoog als verklaring voor haar haast. ‘Ik moet gaan.’

Ze zet een stap in de richting van haar geparkeerde auto.
‘Wacht.’ Zijn hand raakt haar bovenarm en een stroomstoot schiet door haar lijf.
Abrupt staat ze stil en kijkt hem recht in zijn ogen, terwijl de tinteling

door haar zenuwstelsel prikt. Haar knieën knikken. Het verlangen, rauw en ongewenst, jaagt door haar heen.
Ze slikt moeizaam. Haar keel voelt droog.
‘Ik denk veel aan je,’ zegt hij zachter en hij buigt zich naar haar toe. Zijn adem raakt haar wang. ‘Aan ons.’

Zijn ogen houden haar vast. Net als toen dringen ze diep bij haar naar binnen.
‘Ik wist niet dat je zwanger was. Hoever ben je?’
‘Zes maanden,’ fluistert ze en ze voelt haar wangen kleuren bij de wetenschap dat het precies de maanden overbrugt met de laatste keer dat ze elkaar zagen.
Zijn wenkbrauwen schieten omhoog, een flits van verbazing die hem volledig overvalt trekt over zijn gezicht. Dan vernauwen zijn ogen zich, zoekend, alsof de puzzelstukken in hem in elkaar schuiven.
‘Is het….’ Zijn stem hapert.
Phileins borst trekt samen. Ze voelt hoe haar benen trillen, hoe haar hartslag haar keel dichtdrukt. Ze wil zich losrukken, vluchten naar haar auto en verdwijnen in de veiligheid van Marijns armen. Maar haar lichaam brandt onder zijn blik, week en verlangend.
‘Het is van jou,’ zegt ze nog voor ze de woorden kan tegenhouden.