Top 10

sinds 2017 op Bol.com

91.000+

lezers ontvangen de nieuwsbrief

120.000+

lazen haar boeken

Hoofdstuk 3

Afgesloten

Op de nauwe vliering van het strandhuisje kruipt Philein naar de ladder. Waar is haar telefoon? Ze moet Harold spreken.

Onvast op haar benen klimt ze sport voor sport naar beneden, terwijl boven haar hoofd de regen losbarst. Hard kletteren de druppels op het houten dak. Het geluid vult de kleine ruimte en het doffe gebulder laat de stekende hoofdpijn, die ze niet meer bewust voelde vanaf het moment dat ze merkte dat Idise weg was, in alle hevigheid terugkomen.

Waar had ze haar handtas ook alweer gezien?

Ze kijkt rond in het kleine huisje dat ze in haar zoektocht volledig overhoop heeft gehaald. De bank staat van de kant, lades van de kast staan open, net als de keukenkastjes en de deur van de badkamer. Kleding en speelgoed liggen verspreid door de ruimte. De fleecedeken ligt half over de armleuning van de fauteuil, half op de grond en ze ziet de helft van haar handtas eronderuit steken. Ze vist hem aan het hengsel van de grond, grijpt haar telefoon en tikt op het scherm, maar er gebeurt niets. Het scherm blijft zwart.

Ze legt haar vinger op de aanknop en drukt hem in. Gespannen wacht ze op het oplichten van het scherm.

Niets.

Vloekend duikt ze naast de bank naar het snoer van de oplader. Ze drukt het stekkertje in haar telefoon en ploft ongeduldig op de bank. De onrust die ze van binnen voelt, is zichtbaar aan de buitenkant. Haar handen trillen en ze wipt met haar voet op en neer. Ze mag zichzelf nu niet verliezen. Ze moet zichzelf onder controle houden om Idise te vinden, maar ongewild schieten haar ogen naar de halflege fles wodka op de ombouw van de afzuigkap. Wat snakt ze naar een slok.

Nee. Ze moet helder blijven en alert.
‘Kom op nou,’ smeekt ze.
Ze drukt opnieuw op de aanknop. Ze houdt haar adem in

en tuurt naar het scherm. Eén seconde.
Twee.
Niets.

Ze rukt de kabel los, duwt hem opnieuw erin. Waarom doet hij het niet? Er is geen enkel teken van opladen, geen trilling, geen licht, alsof er geen spanning op het stopcontact staat.

Ze rent naar het keukenblok en kijkt naar het koffiezetapparaat waar, tot haar verbazing, de koffie niet is doorgelopen. Het lampje brandt niet.

Ze draait de warmwaterkraan open en steekt haar vinger onder de straal. IJzig stroomt het water langs haar huid, maar al snel wordt de straal zwakker. Het laatste water gorgelt uit de leiding en langzaam dringt de opmerking van Harold tot haar door dat gisteravond de centrale voorzieningen zouden worden afgesloten. Er is geen stroom om haar telefoon op te laden.

Philein klampt zich vast aan het aanrecht om zichzelf overeind te houden. De angst bij de gedachte hier weg te moeten

om stroom te vinden, tintelt door haar lijf. Ze zal het strandhuis moeten verlaten om haar telefoon voldoende op te laden om Harold te kunnen bellen. En wat als blijkt dat hij Idise toch niet heeft? Wat als ze hier wel ergens buiten rondloopt en Philein is weg.

Wat moet ze doen? Zonder stroom kan ze de hulpdiensten ook niet bereiken. Ze heeft geen keus. Ze moet wel gaan.

Philein trekt de voordeur open en kijkt vanuit de deuropening naar het gordijn van regen dat over de uitgestrekte zandvlakte hangt.

‘Idise!’ poogt ze nogmaals hard.

Hoe kan ze haar ooit vinden in dit weer? Ze ziet nauwelijks een hand voor ogen. Ze kan dit niet alleen. Hoe sneller ze vertrekt, hoe sneller ze weer terug kan zijn. Er is geen andere mogelijkheid.

Zonder sokken schiet Philein in haar schoenen. Ze pakt haar regenjas van de kapstok, trekt gehaast de oplader uit het stopcontact en stopt hem samen met haar telefoon in haar handtas.

Vanaf de achterzijde van het huisje duwt Philein haar fiets door het natte zand naar de voorkant, de houten vlonder op. Vlug springt ze op haar zadel. De regen slaat in haar gezicht en haar capuchon waait af als ze richting de strandopgang fietst.

Doorweekt bereikt Philein strandpaviljoen Ravenszicht. Door de druppels heen ziet ze dat de luiken dicht zitten. De tafels en stoelen op het terras staan vastgesjord met kettingen en de vlaggenmasten zijn kaal. Plastic zeilen slaan klapperend met hun losse uiteinden tegen het hout.

Hier is niemand.
Ze zal naar het dorp moeten fietsen, beseft ze angstig. Ze stapt af en kijkt achterom naar de rij strandhuisjes in de verte die door de dichte regen vanaf hier niet te zien zijn.

Hoewel ze ervan overtuigd is dat Idise bij Harold is, verschijnt het beeld in haar gedachte van het kleine meisje dat nat en koud in paniek door de duinen dwaalt. Moederziel alleen. Losgetrokken van elkaar.

Hoe zal ze zich voelen? Net zo verloren en afschuwelijk als Philein? Het voelt alsof de onzichtbare navelstreng die haar met Idise verbindt, afgescheurd en bloedend achter haar aansleept.

Een moeder zonder kind.
Nee.
Ze duwt de gedachte weg en ze draait zich terug naar de

strandopgang. Ze heeft geen tijd te verliezen en ferm duwt ze haar fiets de steile helling op.

Idise is bij Harold. In gedachten herhaalt ze de woorden als een mantra.

Bovenop het duin springt ze op haar fiets en vastberaden trapt ze zichzelf vooruit tot ze over het asfalt van het fietspad naar beneden raast in de richting van het dorp.

Heuvel op, heuvel af, fietst Philein tot aan de bosgrens, waar ze de korte route neemt naar het dorp via het smalle pad door het bos. Het weggetje ligt bezaaid met gevallen herfstbladeren en af en toe glibbert ze naar links of rechts. Stevig houdt ze haar stuur vast om haar evenwicht te bewaren, terwijl de zware regenval langzaam overgaat in lichte motregen.

Drijfnat komt Philein aan bij de dorpsrand. Bij het eerste huis waar ze licht ziet branden zet ze haar fiets op de standaard. Ze loopt de oprit op en belt aan.

Na een kort moment hoort ze gestommel achter de voordeur. Achter het luikje in de deur dat opengaat, verschijnt het gezicht van een oudere vrouw met krulspelden in het haar.

‘Ja?’ zegt de vrouw met krakerige stem.

‘Sorry, dat ik zo vroeg op de dag aanbel,’ verontschuldigt Philein zich. ‘Het is een noodgeval. Mijn telefoon is leeg.’

Terwijl ze de woorden uitspreekt, kijkt de vrouw haar met argusogen aan vanuit het kleine open raampje in de deur. Philein beseft hoe het er voor de vrouw uit moet zien. Een wildvreemde die op dit vroege tijdstip met zo’n vraag aanbelt, is moeilijk te vertrouwen.

‘Zou ik alstublieft heel even mijn telefoon aan de lader mogen leggen om te kunnen bellen?’

‘Daar heb ik geen verstand van. Die laders zijn allemaal anders,’ zegt de vrouw en ze wijkt naar achteren alsof ze het raampje dicht wil doen.

‘Ik heb alleen maar stroom nodig,’ zegt Philein snel, ‘De lader heb ik zelf.’

‘Piet,’ roept de oudere dame over haar schouder. ‘Iemand vraagt om stroom.’

Onverstaanbaar wordt er iets teruggezegd.

‘Ja, zal ik zeggen,’ reageert de vrouw en ze draait haar hoofd terug naar Philein. ‘Er zit een stopcontact in de schuur. Loop maar via het pad langs het huis naar achteren. Mijn man doet nu de schuurdeur los.’

‘Dank u!’ en ze wil zich omdraaien in de richting van het pad.

‘Maar haal je niets in je hoofd, hè,’ waarschuwt de vrouw. ‘De accu’s van de fietsen liggen hier binnen.’

‘Ik kom nergens aan,’ belooft Philein.

In de schuur hangt een muffe geur, ruikt Philein als ze er binnenstapt. Zoekend naar het stopcontact ziet ze twee elektrische fietsen naast elkaar staan tegen de linker muur dat een hoog smal raam heeft. In de stellingkast tegen de muur recht tegenover haar staan gevulde plastic kratten en de twee overige wanden hangen vol met steeksleutels, schroevendraaiers en tangetjes, keurig met stift omlijnd boven een werkbank met rijen blikjes vol spijkers en schroeven.

Zodra Philein het stopcontact in de muur ziet, grijpt ze snel met haar hand in haar handtas. Ze pakt haar telefoon die nog vastzit aan het snoer en stopt de lader in het stopcontact.

Een opluchting glijdt over haar gezicht als het scherm binnen enkele seconden oplicht. Met een bibberende vinger selecteert ze Harolds nummer en ze klemt de telefoon tegen haar oor.

‘Philein?’ zegt Harold, zodra hij oppakt.
‘Waar is Idise?’ Haar stem klinkt schel en wanhopig.
Aan de andere kant van de lijn hoort ze hem zuchten. ‘Wat heb je gedaan, Harold?’
‘Philein...’
In het smalle hoge raam boven de fietsen ziet ze een kaal

hoofd met een gerimpeld voorhoofd en twee priemende ogen naar haar kijken. Zodra hun blikken elkaar kruisen, duikt de man weg.

‘Heb je haar meegenomen?’ gaat ze onverstoorbaar door. ‘Rustig,’ zegt hij. ‘Waar ben je?’
‘Ze is weg, Harold. Ze lag niet in bed toen ik wakker werd.’ Er valt een stilte.

‘Heb je gedronken?’

Ze knijpt haar ogen dicht en klemt haar lippen kort op elkaar voor ze reageert.

‘Wat maakt dat uit? Waar is ze, Harold? Ik heb overal gezocht.’

‘Ik kom naar je toe.’
‘Nee, zeg eerst waar Idise is.’
‘Alsjeblieft, Philein.’
‘Waar is ze?’
‘Ben je in het strandhuisje?’
‘Nee.’
‘Laat me je helpen.’
‘Hoe kon je haar meenemen? Wat denk je wel niet.’
‘Blijf waar je bent,’ zegt Harold snel. ‘Ik kom eraan.’ ‘Samen met Idise bedoel je?’
‘Natuurlijk niet,’ snauwt hij fel.
Phileins adem stokt. Het voelt alsof haar keel wordt dicht-

geknepen.
‘Ik bel de politie,’ zegt ze, zodra ze haar stem terugvindt. ‘Nee, niet doen!’ Harolds stem buldert door de lijn. ‘Doe

dat niet, Philein.’