Eerste twee hoofdstukken van PARK 1943 ROTTERDAM

Steigers

Britte, dinsdag 7 februari 2017
“Oh nee! Is het al half twaalf?” roept Britte. Ze haast zich naar de kleine badkamer om zich wat op te knappen. Ze wast eerst haar handen, vies geworden van het stof en de lijmresten van het behang dat ze van de muur in het achterkamertje krabt. Ze verfrist haar gezicht door beide handen tot een kom-metje te vouwen en het water tegen haar gezicht te gooien. Ze kleedt zich vlug om in de slaapkamer en keert dan terug naar de badkamer. “Toch maar een beetje opmaken, misschien staat er wel een leuke vader op het schoolplein,” zegt ze giechelend tegen de spiegel, waarin ze zichzelf meer afkeurend dan kritisch bekijkt. Haar donkerbruin geverfde haar begint uit te groeien. Boven de wortels bindt haar eigen blonde kleur dapper de strijd aan met het donkerbruin en het is onmiskenbaar aan de winnende hand. De felgroene highlights hebben de strijd al opgegeven. Ze haalt haar schouders op, ze kan daar nu toch niets mee. Ze loopt de trappen af en steekt de straat over richting het schoolplein, om Jayden op te halen.
Ze komt net op tijd. Kinderen stromen het schoolgebouw uit en rennen over het speelplein, op zoek naar moeders of vaders. Voor het hek van het schoolplein staan moeders en een enkele vader in dikke winterkleding op hun kroost te wachten. Het merendeel van de moeders draagt een hoofddoek, door-weekt geraakt door de haast microscopisch fijne, nauwelijks ontdooide vochtdeeltjes, die meer in de lucht hangen dan dat ze vallen. Rotterdam is een multiculturele stad, zeker de helft van haar inwoners heeft een buitenlandse achtergrond. Immigranten concentreren zich als vanzelf in oudere wijken, zoals Bospolder-Tussendijken.
Jayden komt altijd als laatste naar buiten. Ook de paar meter naar huis treuzelt hij. “Mag ik zo op de iPad?” vraagt hij.
“Nee,” zegt Britte resoluut. “We gaan lunchen. Als je klaar bent, mag je even met je Playmobil spelen. Ik wil niet dat je de hele tijd op dat ding spelletjes speelt. Je weet de afspraak. Eén uur per dag, voor het avondeten.”
Jayden accepteert de beslissing van zijn moeder zwijgend en rent luidruchtig de trappen op, naar de warmte van hun nieuwe woning. Dat kan hij dan weer wel snel. Boven aan de trap wacht hij op Britte en kijkt haar met zijn grote bruine ogen vragend aan. “Waarom heb ik eigenlijk geen vader?”
Met een zucht onderdrukt Britte haar ergernis terwijl ze de deur opent. Op school heeft de meester ze-ker weer zo’n gezellig familieverhaaltje voorgelezen.
“Dat weet je toch, lieverd.”
“Je kunt het toch nog wel een keer vertellen?”
“Goed. Beloofd. Nu eerst eten.” Ze hoopt dat hij dat pappagedoe straks vergeet.
Nadat ze Jayden weer naar school heeft gebracht, trekt ze haar werkkleren weer aan en gaat verder met het afscheuren van het behang.
Tussen drie en half vier herhaalt zich het ritueel van wachten op het schoolplein. Margreet, Jaydens oma, zit thuis met verse thee op hen te wachten.
“Je moet behang verwijderen met stoom, Brit, als je het zo afscheurt gaan je handen stuk. Met stoom gaat het veel makkelijker.”
Britte balt haar vuisten. Waarom zit iedereen toch zo aan mijn kop te zeuren? Als ze het zo goed weet, waarom doet ze het dan niet zelf? Ze geeft haar moeder geen antwoord.
“Waarom zet je die dozen niet ergens anders? Je kan erover struikelen zoals ze daar in de kamer staan.” Margreet slikt de laatste slok van haar thee door en loopt naar het raam. “Ik kon eerst geen parkeerplekje vinden. Ik dacht eerst dat het hier zo’n troosteloze oude wijk was, maar toen ik wat rond-reed, zag ik dat het eigenlijk een hele leuke buurt is. In die straat verderop zijn allemaal leuke kleine winkeltjes. En als je je even kwaad maakt, kan je hier best een knus plekje van maken. … alleen die steigers voor je raam … die vind ik maar eng.”
“Dat is zo voorbij, mam. Als ze klaar zijn met verven, zijn die steigers ook weer weg.”
”En je hebt voor Jayden dat speeltuintje hier vlak voor je neus natuurlijk. Heerlijk toch. Ook fijn dat er een hek omheen staat. Alleen jammer dat je dat leuke plein verderop niet kunt zien.”
“Park 1943? Ach, met drie minuten lopen ben je er.”
“Daar is wel altijd wat te doen. Heb je wat om naar te kijken.”
Britte wuift met haar hand de opmerking van haar moeder weg. “Ja hoor, alsof ik daar tijd voor heb.”
Margreet nadert de pensioengerechtigde leeftijd. Haar gezicht onder het bijna spierwitte, goed verzorg-de, korte haar, straalt vrolijkheid uit. De kraaienpootjes op de slapen aan weerszijden van de licht op-gemaakte, grijsgroene ogen vormen het bewijs.
“Toen ik op maps keek gisteren, zag ik hier vlakbij een Mathenesserstraat en Mathenesserweg. Die naam komt me zo bekend voor. Ik heb er zelfs over gedroomd. Vreemd hè? Misschien betekent het wat.”
“Je gaat toch niet weer met dat I Tjing gelul aankomen, hoop ik. Ik dacht dat je daar zo langzamer-hand overheen gegroeid was.”
Margreet haalt haar schouders op.
Tegen zessen heeft Britte de muren van de achterkamer zo goed als kaal. Hier en daar zitten nog wel wat resten van het vorige behang, onwillige rafels die haar teveel moeite kosten. Britte vindt het kaal genoeg voor een nieuwe laag behang.
Haar moeder heeft het avondeten klaar. De keurig gedekte tafel wacht op het opdienen van de aardap-pelen, prinsessenbonen en een Gelderse schijf.
Britte ziet dat Jayden op de bank in een krom gebogen houding over de iPad gebogen zit, die onmoge-lijk goed kan zijn voor zijn fysieke ontwikkeling. Ze is te moe en haar rug doet te zeer van het afkrab-ben om er iets van te zeggen.
“Gaan jullie morgen naar oma?” vraagt Margreet onder het eten. “Morgenmiddag heeft Jayden toch vrij? Je kunt daar van half drie tot half acht terecht.”
“Nou, dat komt me nu niet zo goed uit, mam. Ik heb hier van alles te doen en op en neer naar Amstel-veen kost me gauw een halve dag.”
“Kom op, zeg. Ze heeft niet al te lang meer. Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?”
“Drie weken terug, geloof ik.”
“Nou, dan moet je morgen toch echt gaan hoor, meid. Ze ligt zo slecht na al die chemo’s. Het is wel je oma, hè. Ik geloof dat je niet eens op bezoek geweest bent toen ze in het ziekenhuis lag. Toe, je moet morgen gaan. Je weet hoe graag je oma je ziet. Vergeet niet wat ze allemaal voor je gedaan heeft. Als ik jouw studie alleen had moeten ophoesten…”
Britte perst haar lippen op elkaar. Bah, ze speelt altijd met mijn schuldgevoel.
Margreet heeft Jayden naar bed gebracht en maakt aanstalten om naar huis te gaan. “Heb je genoeg geld?” vraagt ze, terwijl ze met haar duim iets bij de mondhoek van Britte wegveegt. Oh mens, schei uit, hier erger ik me dood aan, denkt Britte.
“Ja, voorlopig nog wel.”
“Je weet wat ik gezegd heb, hè?”
“Ja mam. Doe je voorzichtig?”
“Rare. Ik ben er zo. Het is een stukkie van drie kwartier. Maak je niet druk.”
Britte kijkt uit het raam en ziet haar moeder naar de zwarte BMW lopen die aan het einde van de straat geparkeerd staat. Eindelijk rust, denkt ze. In de badkamer kleedt ze zich uit en stapt onder de douche. Na het wassen trekt ze een lang T-shirt aan. In de woonkamer draait ze de verwarming een graadje hoger en met een kop koffie, languit op de bank, zoekt ze op Netflix een film uit. Ze kiest Before Midnight.
Wanneer op Brittes tv de film begint, opent enkele straten van haar verwijderd een man met een muisklik op het dark web de pagina die boodschappen voor hem bevat. Hij heeft één bericht met een foto als bijlage van zijn opdrachtgever ontvangen. De foto toont een zwartharige man. Een mediter-raan type met een venijnig ringbaardje. De boodschap is niet meer dan een regel. Een straatnaam en huisnummer. De foto drukt hij af en prikt het papier met een punaise op de muur. In een notitieblokje noteert hij het adres. Hij verwijdert de boodschap, zodat de verzender weet dat hij het heeft ontvangen. Hij weet wat zijn opdrachtgever van hem verwacht. Hij klapt de laptop dicht, staat op van tafel en gaat op de leren fauteuil zitten. Met de afstandsbediening zapt hij naar Netflix en kijkt naar twee afleverin-gen van How To Get Away With Murder.
Britte ligt allang te slapen wanneer hij om één uur ’s nachts de natte, stil geworden, donkere februari-nacht instapt. Op de motor rijdt hij naar het zojuist genoteerde adres in Kralingen. Hij pakt uit zijn jaszak een kleine filmcamera, nog kleiner dan een AAA-batterij. Voor zijn klus komt het goed uit dat het niet meer regent, hoewel hij op de parkeermeter eerst met een doek een kleine oppervlakte droog moet zien te krijgen. Wanneer hij denkt dat het vocht afdoende is verwijderd, bevestigt hij het appa-raatje zo goed als onzichtbaar met grijze tape aan het paaltje dat recht tegenover de ingang van de straat staat. Op zijn telefoon zoekt hij het sterkste wifisignaal. Het duurt een paar minuten voor hij de code heeft gekraakt. Met een bluetooth app verbindt hij de camera met de wifi. Voor de zekerheid con-troleert hij de beelden van de camera die het apparaat over het internet naar de telefoon verstuurt. Hij knikt tevreden, stapt op zijn motor en rijdt naar huis.

Mannen zijn niks waard

Britte, woensdag 8 februari 2017
Oma ligt alleen op een kamer van het Amstelveense verpleeghuis. Ze slaapt. Britte legt de bloemen op het kastje naast het bed. Britte voelt het zweet plakken in haar oksels. Na de vrieskou buiten voelt de klamme, extra opgevoerde warmte in het verpleeghuis vies aan.
“Het stinkt hier, mam.”
Britte is het met Jayden eens, maar reageert niet. De gesloten oogleden van oma liggen in diepe ronde putten. Haar jukbeenderen steken ver uit en haar wangen zijn hol. Je kan nog net niet door de dunne huid kijken, toch lijkt het alsof de naargeestige kleur van haar schedel er doorheen schijnt. Op haar hoofd een dunne laag doodse, grijze haren, die van hoog op haar voorhoofd naar achteren vallen. De broze handen, bezaaid met bruine vlekken, liggen boven de dekens. Ze zijn uitgewerkt.
“Is ze al dood?” Jayden houdt angstvallig afstand van het bed.
“Nee, ze slaapt.” Brittes stem wekt de hoogbejaarde vrouw en ze opent haar ogen.
“Brit,” zegt oma bijna onhoorbaar. Moeizaam richt ze haar hoofd een klein stukje op en kijkt ze met haar vergrijsde ogen naar Jayden. “En wie ben jij ook weer?”
“Jayden oma, het is Jayden,” zegt Britt.
Met haar hoofd weer op het kussen lijkt oma alweer weg te zakken, haar ogen vallen dicht.
“Hoe gaat het met u, oma?” Met een naargeestig, piepend geluid, verschuift Britte de stoel van het hoofdeinde naar het midden van het bed en draait hem een kwartslag, zodat oma haar beter kan zien. Met haar handtas op schoot gaat ze zitten.
De oude vrouw wendt haar hoofd en kijkt haar kleindochter aan. “Hallo Brit,” zegt ze nu nog zachter, “wat leuk dat je er bent.” Ze probeert bevend haar handen op te tillen.
Britte buigt naar voren en brengt haar gezicht dichterbij. Ze legt haar hand op de arm van haar oma. “Hoe gaat het met u? Heeft u pijn?”
“Ach ja, kind…” Ze neemt de tijd om voldoende lucht in haar versleten longen op te nemen zodat ze een paar woorden kan spreken. “Je kunt maar beter jong blijven… Of op tijd de pijp uitgaan… Dit is niks, geloof me.”
“Oma, weet u waar mijn pappa is? Mamma weet het niet.”
Oh God, denkt Britte, die verdomde pappaperiode. Die kloterige voorleesverhaaltjes over gelukkige doorsneegezinnetjes.
Oma zet grote ogen op en kijkt Jayden streng aan. Het lijkt wel of ze meer kracht krijgt en haar hoofd komt een beetje omhoog. “Ga niet naar hem op zoek, jongen. Pappa’s zijn niks waard. Heb je niks aan.” De even herwonnen kracht vloeit weer weg en ze zakt terug op haar kussen.
“Mag ik weten wie u bent?”
Britte schrikt. Onhoorbaar is een verpleegster de kamer ingeslopen en staat achter haar.
“Ik ben haar kleindochter.”
De verpleegkundige aarzelt. Ze zoekt naar woorden. “Ik denk dat u het beste uw moeder kunt waarschuwen.”
Britte denkt haar te begrijpen. “U bedoelt…” Ze verlaagt het volume van haar stem en staat van haar stoel op om de afstand naar het bed te vergroten, “dat ze nu snel…?”
“Het kan een kwestie van uren zijn. Het zou mij niet verbazen als ze de avond niet meer haalt. Alhoewel je het nooit zeker weet, natuurlijk.”
Op de gang belt Britte haar moeder.
Jayden rent heen en weer op de lange gang. Zijn sneakers remmen piepend af als hij omkeert. Britte checkt Facebook voor de zesde keer. Oma heeft haar ogen weer gesloten en lijkt te slapen. Het ademha-len kost de oude vrouw hoorbaar moeite. Misschien doet het haar zelfs pijn. Wat haar leven lang een onbewuste, automatische en probleemloze noodzakelijkheid was, kost nu inspanning. Britte ziet haar werken. Het leven kost kracht. Kracht die zij niet meer heeft. Het moeizame, eentonige geluid van de slapende vrouw vult de kamer. Het zijn klanken van rust.
Dan verandert er iets. Britte weet niet waarom ze nu opeens onophoudelijk naar haar oma moet kij-ken. Iets dwingt haar de blik op de hoogbejaarde gericht te houden. Het interval tussen het volzuigen van de longen wordt steeds groter. Het tempo gaat steeds verder omlaag. Steeds verder omlaag. Steeds verder. Tot het stopt. De scherpe lijnen en diepe groeven in haar gezicht verzachten. De vale, doodse kleur van haar gezicht lijkt te veranderen. Nog witter? Nog bleker? Traag voltrekt zich een metamorfo-se, die toch hooguit een minuut of wat duurt, tot haar spieren volkomen ontspannen zijn. Voor altijd. Oma is niet meer.
Terwijl aan de andere kant van het raam het sombere winterse Hollandse landschap langs suist, speelt Jayden met de iPad. De conducteur geeft met een goedkeurend knikje haar ov-chipkaart terug. Net als de langs schietende huizen, een station, tingelende overwegen, vliegen flarden herinneringen aan oma door Brittes hoofd. De pop die zij kreeg op haar vijfde verjaardag. Een bezoek – wanneer? – aan de Efteling. Samen lunchen bij De Balie in Amsterdam. De speech die ze gaf bij haar afstuderen aan de kunstacademie. De kracht die haar oma ten toon spreidde. De kracht die langzaam uit het lichaam van de trotse vrouw verdween.
Thuis in Rotterdam, loom van de treinrit, moet Britte haar vochtige ogen dichtknijpen bij het naar bed brengen van Jayden. Ze houdt zich groot. Ze loopt naar beneden, naar de woonkamer. Dan houdt ze het niet meer tegen. De zilte vloeistof sijpelt over haar gezicht en zoekt een weg naar beneden, onder haar kin naar haar borst. Langzaam temperen de emoties. Ze heeft nu tenminste geen pijn meer, troost ze zichzelf. Ze haalt diep adem en pakt een tissue uit de doos op tafel. Ze droogt haar gezicht en hals. Dan schiet haar de korte conversatie tussen Jayden en haar oma te binnen en borrelt iets op in de koude leegte van haar middenrif. Haar buik schokt. Een lach die aanzwelt, die ze niet kan stoppen. Ze proest het uit. “Ha! Dat moet op haar grafsteen. Mannen zijn niets waard. Hahaha.”


Ontvang 25% korting op
PARK 1943 ROTTERDAM
van Dick Scholten
met de couponcode: KORTING25%

Klik hier voor meer informatie:
PARK 1943 ROTTERDAM