Fragment uit BEET

Midden in de nacht schrik ik wakker. Met open ogen staar ik naar het plafond en ik voel een onrust die ik niet kan verklaren. Ik leg mijn handen op mijn buik om de gedachten af te leiden van mijn emotie door het gewoel van mijn dochter. Maar in tegenstelling tot de meeste nachten is het stil in mijn baarmoeder. Langzaam wieg ik mijn dochter in het vruchtwater door haar zachtjes heen en weer te bewegen. Er volgt geen tegenbeweging en mijn onrust neemt toe. Met één hand druk ik een aantal maal mijn buik stevig in en wacht op een reactie. Er gebeurt niets. Wanneer heb ik haar voor het laatst gevoeld? Ik maan mijzelf tot kalmte. Waarschijnlijk ligt ze met haar voetjes naar mijn rug toe en voel ik niet dat ze beweegt. Ik probeer het los te laten en draai mij op mijn zij om weer te gaan slapen, maar mijn hoofd maalt door en de slaap kan ik niet vatten.
‘Elise’, fluister ik in het donker. ‘Elise?’ In de schemer van de nacht zie ik enkel haar contouren.­­
‘Wat is er?’ zegt ze slaapdronken met een schorre stem.
‘Ik maak me zorgen,’ zeg ik met trillende stem. ‘Ik heb sinds het moment op de bank twee avonden geleden de baby niet meer gevoeld.’ Ik hoor hoe Elise zich naar mij toe draait en ze slaat een arm om mij heen.
‘Elke moeder maakt zich zorgen, Marjolein. Dat hoort er bij. Er is vast niets aan de hand. Probeer maar te slapen.’ Ze trekt mij nog wat dichter naar zich toe en hoewel ik nog niet volledig gerust ben gesteld, val ik uiteindelijk toch in slaap.

Een foetus van twintig weken hoeft nog niet dagelijks merkbaar te schoppen, zegt de stem in mijn hoofd aan het ontbijt. Maar het gevoel blijft knagen. Elise komt met haar jas aan en het cadeau voor haar ouders onder haar arm de woonkamer in.
‘Weet je zeker dat ik niet hoef te blijven?’
‘Ga nou maar, straks kom je nog te laat bij je ouders. Er is vast niets aan de hand.’ Elise geeft mij een kus.
‘En anders bel je mij, hè? Dan kom ik meteen terug.’ Ik knik. Elise trekt de deur achter zich dicht en ik pak mijn telefoon. Voor ik mijn impulsieve handeling kan stoppen, hoor ik een stem aan de andere kant van de lijn.
‘Anne Groen, verloskundige.’
‘Dag Anne, met Marjolein Kramer. Ik maak me vast zorgen om niets, maar ik heb de baby al twee dagen niet gevoeld, terwijl ze anders geregeld schopt.’ Mijn hart klopt in mijn keel, maar mijn stem houd ik zo goed en kwaad als het gaat onder controle. Vol verwachting dat ze gemoedelijk in de lach schiet – ik ben immers een paar dagen geleden nog op controle geweest – wacht ik haar antwoord af. Maar in plaats daarvan zegt Anne:
‘Ik ben zo bij je.’

‘Ga maar op de bank liggen,’ zegt Anne nog geen kwartier later, terwijl ze in haar tas de doptone pakt. Mijn shirt trek ik omhoog en ik sluit mijn ogen. De koude microfoon wordt op mijn buik gezet. Blikkerige geluiden ontsnappen uit het apparaat dat Anne vasthoudt. Ik hoor mijn eigen hartslag en andere geluiden die ik niet thuis kan brengen. Maar het snelle trommelende geluid waar ik op wacht, hoor ik niet. Anne zoekt geduldig elke vierkante millimeter van mijn buik af, maar de enige hartslag die we horen is die van mijn eigen, door de spanning snel kloppende hart. Ik open mijn ogen en probeer het gezicht van Anne te lezen. Ze kijkt rustig en vriendelijk terug.
‘Maak jij je al zorgen?’ vraag ik haar met een brok in mijn keel.
‘De baby is zich goed aan het verstoppen, Marjolein,’ zegt ze kalm. ‘We gaan gewoon even naar het ziekenhuis om te kijken met een echo. Dit komt wel vaker voor. Rij maar met mij mee. Kun je iemand bellen die ook mee kan gaan naar het ziekenhuis?’
‘Elise.’ Ik wil Elise naast me.