DE DRIEHOEK van Dick Scholten

Voor hoofdstuk 10 klik hier
Voor hoofdstuk 1 klik hier

Hoofdstuk 11

Ze blijft bij het miezerige mannetje. Ik ben definitief mijn Joyce kwijt. Ik heb een advocaat gevraagd een scheidingsvoorstel op te stellen. Mijn vader zegt dat het niet anders kon, want als ik haar niet de ruimte had gegeven haar biseksuele natuur te ontplooien, was ik haar al veel eerder kwijtgeraakt. Ik ben tussen die bomen weggegleden, de sloot in. Joyce heeft gekozen en, hoe moeilijk het ook is om het te aanvaarden, hoeveel pijn het ook doet, ik zal het moeten accepteren. Mijn ouders, haar ouders, ze spreken er schande van. De ruzies tussen Joyce en haar ouders zijn zelfs zo hoog opgelopen dat ze elkaar niet meer zien.

Niet lang nadat Joyce is vertrokken, belt Lisette mij op. ‘Ik moet je spreken Guus.’ We spreken af in het Grand Café in het centrum van haar dorp. Zodra ik haar zie binnenkomen in haar zomerjurkje met blote schouders, reageert mijn lichaam. Ik zie de wellust in haar ogen en ondanks mijn verlangen naar die woeste, heerlijke seks, ondanks mijn eenzaamheid, wil ik onmiddellijk weggaan, omdat als ik haar huid zal voelen, haar weer zal zien deinen van genot, ik zal terugvallen in die put van ellende.
Lisette denkt dat ik opsta om haar te begroeten. Ze zoent me vol op de mond, waarbij ze haar tong in mijn mond probeert te wringen. Een erotisch verzoek tot intimiteit dat ik kort geleden bevestigend beantwoord zou hebben. Ik zie de verbazing in haar ogen dat ik de penetratie met mijn voortanden stuit. ‘Fijn dat je kon komen,’ zegt ze alsof de afwijzing niet heeft plaatsgevonden.
Terwijl de echo van haar tong tussen mijn lippen blijft weerkaatsen, ga ik weer zitten. ‘Je wilde me spreken.’
‘Je moet me geloven dat ik dit nooit heb gewild. Begrijp je nu waarom ik Mark niets wilde vertellen?’
‘Wat wilde je eigenlijk wel? Wat was je doel?’
‘Ik ben biseksueel en Joyce is een aantrekkelijk en lieve vrouw. Dat is het. Meer niet.’
‘Jouw leven is het razen over een snelweg vol avontuurtjes. Kijk eens om en zie hoeveel ongelukken je maakt.’
‘Nooit zoals nu, echt nooit zo erg als nu. … Joyce en ik zijn nu …’
Ik hef mijn beide handen afwerend op. ‘Ik wil er niks over horen.’
Wanneer we onze koffie hebben gedronken en zij bij de bar afrekent, lopen we samen het café uit. Ze geeft me een arm. ‘Zullen we bij jou thuis nog wat drinken?’
Ik weet wat ze in gedachten heeft, mijn lichaam weet het ook, maar ik til mijn arm op, zodat zij mij wel los moet laten. ‘Nee Lisette. Het is voorbij.’ Ik kus haar op beide wangen. ‘Tot ziens, het ga je goed.’
‘Ik mag toch nog wel een keertje bij je langskomen?’
Ik geef haar geen antwoord en loop van haar weg. Achteraf vraag ik me af hoe het lichamelijk genot van seks zo de overhand heeft kunnen krijgen.

Ik neem vakantie en rij kris kras door Frankrijk in de hoop los te komen van mijn heimwee naar Joyce. Gedachteloos, alleen verdrietig, van Parijs naar Toulouse, van Nice naar Lyon. Bij iedere plaats waar ik overnacht, in de drukte in Parijs, bij de hoge toppen van de Pyreneeën, tussen de paarse lavendelvelden in de Provence, neem ik mij voor om de kleine weggetjes in te slaan en een paar dagen rust te nemen. Ik doe het niet. Ik blijf almaar doorrijden over het asfalt van de snelwegen. Het is hopeloos. Ik kan mij geen leven zonder haar voorstellen en zal nooit van haar loskomen.
Na mijn terugkeer stelt ze telefonisch voor dat ik eens in de vier weken Lars op zaterdag ophaal. Lars heeft het zo naar zijn zin met zijn nieuwe broertje en zusje, dat hij al de eerste keer na mijn reis vraagt wanneer hij terug mag. Zelfs mijn zoon ben ik kwijt. Ik wil hem niet dwingen en laat de keuze aan hem. Alleen Lisette stuurt mij af en toe een berichtje. Ze zegt naar mij te verlangen en vraagt om afspraakjes. Ik reageer niet. Ik bewaar goede herinneringen aan haar, verlang zelfs vaak naar haar, maar de pijn bij het weerzien van de nog altijd open wond zou ondraaglijk zijn.

Het huis voelt leeg. Het huis is leeg. Ik verhuis naar een tweekamerflat in een andere slaapwijk. Wanneer de bedrijfsbus de laatste spulletjes inlaadt, kijk ik nog één keer om. Behalve haar sieraden en het speelgoed van Lars, wilde Joyce niets meer hebben. Wel vraagt ze om de foto’s waarop Lars alleen of met haar op staat, alsof ze mij als een tumor uit haar geheugen wil wegsnijden. Omdat ik weet dat er ooit een moment zal komen dat ze door het door ons gedeelde stuk leven zal willen bladeren, kopieer ik al onze foto’s op een USB-stick en stuur het haar per post.
Went het? Nee. Nog altijd drukt de vernedering en jaloezie op mijn borstkas. Nee, als mijn lijden al minder is, dan is dat zo miniem dat ik het verschil niet kan voelen.
Op Tinder en eMatch zoek ik een nieuwe partner, maar ik heb nog niemand gevonden die Joyce kan vervangen. Eén vrouw leek op haar. Ik heb een afspraak met haar gemaakt. Zo af en toe komt ze naar mijn nieuwe flatje en blijft soms een weekend. Ze kan niet aan Joyce tippen. Ik zal haar en iedereen die haar opvolgt met Joyce vergelijken. Iemand zo toetsen is oneerlijk, maar ik kan niet anders. Ik mag haar en anderen, zolang ik Joyce niet kan vergeten, geen hoop op een duurzame relatie geven.
Als Janines man op zakenreis is, gaan wij samen uit en blijf ik bij haar slapen. Haar man weet van niks. In zijn bed voel ik me net zo’n indringer als Lisette die haar kont tussen Joyce en mij in wurmde.

Zo daalt de tijd in deze troosteloze herfst verder af richting kerst. Ik zal een gezellig avondje moeten doorbrengen met mijn ouders. Wanneer ik in Amsterdam cadeautjes voor hen wil inslaan, zie ik Mark en Joyce gearmd over de Kalverstraat lopen. Joyce, een stuk groter dan hij, lijkt hem voort te duwen. Het ziet er belachelijk uit, dat miezerige kereltje naast mijn fiere, kaarsrecht lopende, mooie Joyce. De druk op mijn borst is ondraaglijk. De gewicht snijdt mijn adem af en ik val op de grond.
Omringd door omstanders probeer ik door concentratie weer controle over mijn lichaam te krijgen. Langzaam wordt de zware last op mijn borst dragelijker en krijg ik weer lucht binnen. Ik kan weer opstaan, bedank de mensen om mij heen en vlucht naar huis.
Lars heeft sinds ik de keuze aan hem overlaat, nog niet voor een weekend met mij gekozen. Ook mijn zoon wendt zich van mij af, alsof Joyce verliezen niet genoeg was. Omdat mijn ouders hem graag met kerst willen zien regel ik dat via WhatsApp met Joyce, het doet te zeer om haar stem te horen. Tijdens het kerstmaal is het niet alleen voor mij pijnlijk wanneer Lars tegen mij en zijn grootouders enthousiast opschept over zijn speelgoed, zijn grote kamer, het verwarmde zwembad en zijn lieve pappa Mark.

Op een druilige dinsdagmiddag op weg naar een klus dicht bij Schiphol, piepen de ruitenwissers irritant over de voorruit van de tot in de nok met bouwmateriaal gevulde bedrijfsbus. Ik ben moe. Op de smalle weg waarover vliegtuigen op hooguit twintig meter boven mijn hoofd bulderend hun landing inzetten, moet ik remmen voor een racefietser die zonder in mijn richting te kijken vanaf een boerenerf de weg opdraait. De fietser, mager en klein, zit diep voorover gebogen over zijn stuur. Het logo van een groot internationaal accountantsbureau siert zijn rug. Hij gaat op zijn trappers staan en versnelt. De racefiets valt groot uit in verhouding tot zijn schriele figuur. Midden op de weg lijkt hij mij voor te willen blijven, maar hij gaat te langzaam. Ik claxonneer als waarschuwing en probeer langs hem heen te rijden, maar hij wijkt niet. Telkens als ik denk dat ik er langs kan, zwiept hij naar links en blokkeert de weg. We rijden het kleine dorp in en even later rijden we over de natte klinkers van de oude kern. Het treiterende gedrag van het mannetje begint op mijn zenuwen te werken. Vlak voor het kruispunt vertraagt hij en rijdt pas door wanneer het stoplicht van oranje naar rood verspringt. Zeker twee minuten sta ik onnodig stil. Alsof hij op mij gewacht heeft, kom ik hem verderop weer tegen en verspert hij opnieuw de weg. Als een winnaar draait hij zijn grijnzende hoofd en herken ik zijn gelaatstrekken onder de witte helm. Het is Mark! In een allesoverheersende golf van frustratie trap ik het gaspedaal diep in. In een flits komen de woorden van vader terug: als er geweld aan te pas komt, verliest iedereen, maar ik kan niet meer terug. Ik zie Joyce en Lars voor me als mijn bumper hem katapulteert en hij op straat valt. Ik schrik van de woedende oerschreeuw die aan mijn longen ontsnapt als ik met de zwaar beladen bus over hem heen rij. Door de schok van het obstakel valt achterin de bus gereedschap op de metalen vloer. Het geluid van zijn brekende lichaam is hetzelfde knappende geluid als van een kever die vermorzeld wordt onder mijn voet.

Einde

.