DE DRIEHOEK van Dick Scholten

Voor hoofdstuk 9 klik hier
Voor hoofdstuk 1 klik hier

Hoofdstuk 10

Een paar dagen later zie ik Joyce terug. Ze zit voorover gebogen op de bank, haar rechterarm steunt op de leuning en haar hoofd rust op haar hand. Haar blauwe ogen, flets en futloos, staren naar de grond. Ze kijkt niet naar mij. Zelfs als ik haar een zoen wil geven, heft ze haar hoofd niet op. Ik kus haar op haar voorhoofd. Fysiek is ze aanwezig, Joost mag weten waar haar geest is.
‘Ze is nog niet beter, maar wilde per sé hier naar toe,’ zegt Lisette nadat ze me hartstochtelijk heeft gezoend.
Met mijn gezicht naar Lisette, hoor ik Joyce achter mijn rug opstaan. Ze loopt de kamerdeur uit. Ze neemt niet de moeite de deur achter haar te sluiten en ik hoor haar langzaam, slepend haast, de trap oplopen. Ik wil achter haar aan gaan, maar Lisette houdt me tegen.
‘Niet doen. Laat haar maar alleen, dat is beter. Ze heeft rust nodig.’ Alsof dat voldoende is om mij gerust te stellen, vraagt ze op opgeruimde toon: ‘Waar hebben jullie de pasta’s staan? Anders moet ik nog even boodschappen halen.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ach laat maar, ik ga wel even naar de super.’
Lars zit op de grond voor de tv, veel te vroeg. ‘Kom Lars, ga wat spelen met je Playmobil.’
‘Ik mocht van mamma tv kijken!’ roept hij verongelijkt. Ik laat hem dan maar. Op de slaapkamer kleed ik mij om. Door de muur hoor ik Joyce huilen. Ik open de deur van het kamertje. Ze ligt met rode betraande ogen op bed. ‘Wat scheelt er aan lieverd?’
‘Ga weg, laat me alleen.’ Ik loop naar haar toe. ‘Heb je geen oren aan je hoofd? Rot toch op!’
‘Toe, vertel me wat er is.’
‘Dat vertel ik je. Ik wil dat je weggaat.’ Ze draait haar rug naar me toe en verstopt haar gezicht in het kussen.

Voor alles is er een eerste keer. Lisette kookt. Ze dekt de tafel voor drie. Voor ze opdient, loopt ze met een bord spaghetti zonder saus naar boven. Weer beneden, steekt ze kaarsen aan en schenkt wijn voor ons in.
‘Waarom zouden wij het niet gezellig maken?’ Al na twee kleine hapjes, wil Lars van tafel af en Lisette, als stand-in mamma, zegt: ‘Goed hoor, ga jij maar tv kijken.’
‘Wat is er met Joyce? Ze ligt boven te huilen. Als ik haar vraag wat er is, stuurt ze me nota bene weg! Zo ken ik haar niet.’
‘Ze is wat depressief. Het waait wel weer over.’
‘Kom op zeg. Dit is toch niet normaal? We zijn allemaal wel eens verdrietig, maar ze zit nu al twee uur in haar uppie te grienen.’
‘Ze is nog niet lekker. Heb jij Netflix?’
Zo makkelijk laat ik me niet wegzetten. ‘Verdorie Lisette, vertel me wat er met Joyce aan de hand is.’
Ze pakt haar glas en staart naar het rode vocht, dat ze door het glas te bewegen laat rondtollen. Langzaam draait ze haar hoofd in mijn richting. ‘Ik geloof dat het iets op haar werk is.’ Om te onderstrepen dat hiermee alles is gezegd, staat ze op en loopt van tafel.

Ik heb Lars naar bed gebracht. Op weg naar beneden, open ik geluidloos de deur van het kamertje. Joyce slaapt. Op mijn tenen neem ik het lege glas van het krukje naast het bed en vul het met water in de badkamer. Op de wastafel staan medicijnen. Sluipend zet het ik glas terug en neem het nauwelijks aangeraakte spaghetti mee naar beneden.
‘Nou, heb je Netflix?’ vraagt Lisette.
Lisette neemt de plaats in van Joyce als we op de bank, zij tegen mij aan liggend, een fles wijn binnen handbereik, naar een film kijken. Het is een spannende film die mij mijn ongerustheid doet vergeten. Een tweede fles wijn wordt ontkurkt, die voor driekwart leeg is bij de aftiteling. Half twaalf. Lisette wankelt als ze opstaat. Ik hoor haar de wc doortrekken en de trap oplopen.
‘Ze slaapt. Ze heeft goed gedronken,’ zegt ze wanneer ze weer naast me op de bank terugkeert.
‘Ik zag pillen in de badkamer. Gebruikt ze medicijnen?’
‘Antibiotica, preventief.’
‘Joh, na zo’n ingreep kan dat nog weken duren.’ Van schrik gaat ze rechtop zitten en slaat haar hand voor haar mond. ‘Euhm, ik bedoel … ze … Het is een infectie, ze heeft een infectie opgelopen, ja. Bacterieel.’
‘Ingreep zei je.’
‘Nee, dat zei ik niet.’ Met beide handen trekt ze mijn gezicht naar haar toe. ‘Kom, laten we wat leuks gaan doen.’
‘Wat voor ingreep, Lisette. Joyce is mijn vrouw, ik heb het recht om het te weten.’
‘Nee. Stel dat jij … Nee, dat is geen goed voorbeeld. … Goed. Ik heb me versproken. Stom van me. Joyce wil absoluut niet dat jij er iets van te horen krijgt, dus nee, jij hebt dat recht niet.’
Ik pak haar bij de schouders en trek haar tegen mij aan en begin stevig haar nek te masseren. Meteen trekt ze haar T-shirt uit. Ik weet waar ze van houdt, weet hoe ik de weg naar haar extatisch genot moet bewandelen, grijp de huid van haar rug en zet mijn nagels en tanden erin. Ze legt kreunend haar hoofd in haar nek. Ik maak haar bh los en bouw het rustig op, hard en met kracht, dicht bij haar pijngrens, zoals ze verlangt. Een voor een vallen kledingstukken op de grond. ‘O, laat me naar je kijken. O god, je bent zo mooi,’ voed ik haar behoefte bekeken te worden. Ze sluit haar ogen en raakt in trance van mijn handen. Meer cognac. Meer tijd. Ze wiegt haar heupen op en neer, strekt haar rug, spant de spieren van haar benen en ik zie het moment naderen dat niets, maar dan ook niets, haar nog uit die exaltatie kan trekken. Ik voer het tempo op tot ze kneedbaar is als een spons in mijn handen. Haar tong bevochtigt voortdurend haar lippen. Ik vertraag mijn handbewegingen tot bijna stilstand. Hees, schor van het speeksel in haar mond, hijgt ze en ik vraag haar ‘Ingreep?’
‘Abortus, abortus!’ schreeuwt ze vlak voor ze krijsend het summum bereikt.

‘Ik hoop niet dat je boos wordt,’ zegt Joyce lusteloos wanneer we gedrieën gaan ontbijten, ‘maar vannacht slaap ik niet hier. Ik ben nog zó moe en dan straks na de zware zaterdag in de winkel … Ik hoop dat je me begrijpt.’
Het is geen vraag. Het is een mededeling zoals wel uit speakers op een treinstation klinkt. ‘Je liegt. Ja, ik begrijp je, want ik weet wat er aan de hand is. Onnozel van me dat ik het niet eerder begreep. Donder op alsjeblieft! Donder op naar dat grote bed, je ligbad en je bidet.’
‘Je bent alleen maar boos op haar,’ probeert Lisette te sussen. ‘Boosheid gaat over.’
Huilt ze? ‘Jij moet je er niet mee bemoeien,’ zeg ik nijdig wijzend naar haar.
Ze brengt Joyce haar naar de villa van Mark. Ze komt meteen terug en vertrekt pas maandagochtend. Om me te troosten, zegt ze. Alsof ik de ellende van me af wil stoten, zo heftig gaan we twee nachten lang tekeer.

Twee dagen later breek ik met misselijkmakende weerzin mijn eigen belofte nooit meer naar de villa van Mark te gaan. Emily doet open. Ik tref Joyce op bed in de verbouwde kamer.
‘Joyce, het maakt mij niet uit hoe je zo ziek geworden bent en het spijt me dat ik zo tegen je ben uitgevallen. Maar je hebt zelf gezegd waar je thuishoort en dat is niet hier. Ik wil dat je met mij meegaat. Ik wil dat je je gewoon, zoals altijd, in de watten laat leggen door je moeder. Ik wil dat je oude vriendinnen op bezoek komen en je opvrolijken. Kortom Joyce, ik wil dat je uitziekt in een vertrouwde omgeving waar je de zorg en aandacht krijgt die je nodig hebt om beter te worden.’
Haar ogen missen energie en richten zich op het raam. ‘Ik kan nu niet bij jou zijn. Ik heb het vrijdag geprobeerd. Ik kan het niet.’
‘O? Waarom niet?’
‘Het kan alleen als Lisette erbij is.’
‘Waarom zou zij erbij moeten zijn?”
‘Je begrijpt toch wel dat ik me haast verplicht voel om met jou te vrijen? Ik voel toch dat je naar me verlangt? Ik kan haast niet slapen van schuldgevoel als jij naast me ligt en meer van mij wil dan ik je geven kan. Het is omdat ik zoveel van je hou, Guus. Alsjeblieft, geef me wat tijd om hier overheen te komen.’
Weer tijd geven, altijd maar tijd geven. Wat kan ik anders dan accepteren?

Anderhalve week later, op een maandagavond is ze er weer, minder apathisch, maar nog lang niet in haar gewone doen. Ondanks haar schuldgevoel kan ze zonder mij aandacht te geven slapen als een roos.

‘Joyce, waarom geef je jezelf niet meer tijd? Waarom blijf je niet alle dagen hier tot je je weer helemaal opgeknapt ben? Ja, natuurlijk verlang ik naar je. Hoe lang geleden is het wel niet? Ik weet het niet eens meer. Daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om jou. Als ik je kan helpen, dan doe ik dat.’
Ze kijkt me aan. Twijfelt ze? Denkt ze na over mijn voorstel? ‘Dank je. Ik weet dat je mij alles gunt en daar zal ik aan denken, maar ik vind dat we door moeten gaan op de weg die wij gekozen hebben.’
‘Nee Joyce, het is de weg die jíj gekozen heb. Niet wij. Niet ik. Jij.’

Nu, op dit cruciale moment, nu ik het gevoel heb dat alles uit mijn handen kan glippen, krijgt mijn baas de opdracht voor een karwei in het zuiden van België. Op- en neer reizen eist belachelijk veel tijd. De ploeg slaapt in een hotel. Ik hoop dat Joyce, zoals ik haar op het hart druk, haar rust neemt en de plusnachten hier alleen thuis zal doorbrengen. Dat zal haar goed doen. Niet alleen omdat ze alleen zal zijn, maar ook omdat ze dan tijd voor Lars heeft.
In België is er afstand tot de angsten die mij thuis kwellen. Met de jongens maak ik ’s avonds lol aan de bar. We drinken te veel, we hebben ’s ochtends een kater; het voelt als vakantie.

Joyce en Lisette wachten op me wanneer ik thuiskom. Natuurlijk laat Joyce Lisette en mij alleen. ‘Ik móet echt uitgerust zijn voor de zaterdag.’
De volgende dag neemt Lisette Lars mee, niet zozeer omdat hij zich zonder Jasmijn verveelt, maar omdat zonder overleg het schema gewijzigd is en ik in het weekeinde Joyce niet meer te zien krijg.

’s Maandags neem ik de middag vrij. Ik koop bloemen voor haar en probeer haar met online bestelde spareribs te paaien. Ze vindt het lief van me, maar kan nog geen zwaar eten verdragen. Ik bak een eitje voor haar. Tijdens de maaltijd heeft ze een nieuw voorstel.
‘Lars kan beter daar naar school gaan. Het is een veel leukere school dan hier, een Montessori school. Hij heeft er ook om gevraagd, want Jasmijn gaat daar ook naar toe. Je weet toch dat ze een gouvernante hebben die voor de kinderen zorgt? Het scheelt veel heen- en weer gerij.’
Van schrik laat ik een mes op de grond vallen. ‘Ben je nou helemaal van God los? Lars heeft hier zijn vriendjes. Je kan toch zo’n jochie niet zomaar uit zijn vertrouwde klas plukken en hem ergens anders neerkwakken? Nee, echt, dat is te gek voor woorden.’
‘Hij kan nu nog switchen. Het schooljaar is nog maar net begonnen.’
‘Joyce, Monte-wat dan ook, het is een smoes. Je haalt ons kind bij mij vandaan.’
‘Jij wil toch ook het beste voor hem? Die school is veel beter voor hem. Ze gaan uit van zelfontwikkeling en je weet hoe creatief Lars is. ’
‘Het is mijn zoon en hij woont hier.’
‘Kijk eens wat hij daar heeft? Een eigen, grote kamer, een zwembad. Vraag het niet aan mij, maar vraag Lars wat hij wil. Denk dan nog eens na over wat je hem wil ontzeggen.’
Tijdens het eten zie ik dat ze in plaats van de ring die ik haar gegeven heb, een andere gouden ring met een grote rode edelsteen draagt. Even later legt ze haar andere hand op tafel. Ook haar trouwring zit niet meer om haar ringvinger. Ik ben als moes, mijn kracht is weggevloeid en ik weet niets te zeggen.

Ik hoef het niet aan Lars te vragen. De volgende ochtend rent Lars op mij af. ‘Pappa! Ik ga bij Lucas en Jasmijn wonen! Fijn hè?’
Joyce glimlacht. Ik ben in een zorgvuldig opgezette val gelopen. Ziet ze aan mijn ogen dat ik mijn verzet opgeef? Alsof ze me ziet spartelen in een fuik, doet ze er nog een schepje bovenop. ‘Dan is het ook erg onhandig als ik niet bij Lars ben. Van nu af aan ben ik alleen nog op vrijdagavond hier.’ Het is alsof een olifant op mijn borst gaat zitten. Ik krijg geen lucht meer binnen. Op de bank, om mijn lijf tot rust te laten komen, wordt het zwart voor mijn ogen.

Ik word wakker in het ziekenhuis. Een arts voert zeker een uur lang een reeks testen met me uit.
‘Er is niks mis met u’, is zijn eindoordeel. ‘U bent kerngezond. Misschien heeft u te hard gewerkt. Uw vrouw vertelde mij dat u een paar dagen in het buitenland heeft gewerkt. Doe het kalm aan de komende dagen. Neem een paar dagen vrij.’

De enkele nacht dat ze nog bij mij is, slaapt ze op haar eigen, kleine kamertje. Ze heeft mij aan Lisette gegeven. Op een nacht, als Lisette slaapt, sluip ik het kamertje in. Voorzichtig, met trillende handen schuif ik het dekbed van haar schouders. Ik breng mijn neus zo dicht mogelijk bij haar oksels en ruik minutenlang aan het zweet in haar armholte. Een traan valt op haar nachthemd. Ik berg haar geur bij de allermooiste herinneringen in mijn geheugen, zoals de dag dat ik haar ontmoette en geboorte van Lars. Ik zal het koesteren en nooit meer vergeten.

Mijn verlangen naar Joyce neemt niet af, maar de seks met Lisette vormt onmiskenbaar het hoogtepunt van de week. Dat is wederzijds, want nu blijft ze steeds tot de maandagochtend bij me. De weerzin die ik ooit voelde is verdwenen. Maar het is alleen seks. Het schept geen band. Het is geen aanvulling op of bevestiging van liefde. De seks is weergaloos, maar Lisette is een surrogaat voor Joyce.

Een week later volgt de volgende klap. Het zijn vallende dominostenen, ze gaan nu in rap tempo een voor een om. In de winkelstraat koop ik een nieuwe spijkerbroek en nu ik hier toch ben, loop ik het boetiekje van Joyce in.
‘O, maar weet je dat dan niet?’ zegt het meisje bij de kassa. ‘Ze werkt niet meer op zaterdag.’

‘Zo gaat het niet langer. Dit móet anders,’ zegt Joyce een paar weken later wanneer ze op een vrijdagavond haar lichaam op de bank laat ploffen. Tegen beter weten in voel ik een vleugje hoop dat ze gaat zeggen dat ze weer naar huis komt, maar ze drukt dat vleugje weg zoals je een klein spinnetje dooddrukt. ‘Ik kan me laten overplaatsen naar ons filiaal in het dorp bij Lisettes huis.’
‘Er moet rust komen. Zo hou ik het niet vol.’
‘Je doet het toch zelf, Joyce. Je hebt toch zelf gekozen om bij Lisette te zijn?’ En bij Mark, denk ik, maar ik wil de woeste golven van mijn jaloezie ontlopen door zijn naam te vermijden.
‘We moeten minderen.’
‘Simpel toch, je gaat één nacht daarheen en de rest van de week ben je hier.’
‘Nee, daar kies ik niet voor. Vanaf nu wordt Lars hier eens per veertien dagen op vrijdagmiddag gebracht. Ik kom dan in de loop van de zaterdagmiddag en blijf dan de nacht slapen.’
‘Nee Joyce, echt niet. Ik wil dat we teruggaan naar de laatst besproken en volgens mij nog altijd geldende afspraak dat je vier dagen thuis bent.’ Mijn woede worstelt zich vanuit mijn middenrif naar boven en grijpt de regie uit handen van de ratio. ‘Hoe lang speel jij verdomme al de vermoeide koningin? Ik weet dat je niet meer op zaterdag werkt. Je speelt je uitputting alleen om mij te ontlopen. Die gore tyfuslijer heeft je zwanger geneukt en je hebt je laten aborteren, zonder dat ik daar iets van mocht weten. Ik, je echtgenoot! Wat is er gebeurd dat je niet meer bij me wil zijn?’
Ze geeft geen antwoord op mijn vraag, maar zegt uiterst kalm en zelfverzekerd: ‘Als jij niet akkoord gaat, dan moeten we een omgangsregeling voor Lars overeenkomen.’
‘Geef me verdomme antwoord. Wat is er gebeurd?’
‘Jij geeft meer om Lisette dan om mij.’
‘Je geeft me met je acteerprestatie geen kans om je te laten zien dat alleen jij voor mij telt. Je kruipt voor me weg. Je wil bij me weg. Kan je zomaar switchen? Heb je gewoon je liefde geruild? Of was jouw liefde voor mij gespeeld? Was ik een deken die je warm hield en heb je een dikkere gevonden? Bleef je bij me omdat ik centen inbracht en ga je weg nu je een dikkere portemonnee gevonden hebt? Doe je nu net alsof je van dat akelige, vieze mannetje houdt totdat je een nog rijkere zak aan de haak slaat?’
‘Mark is een heel lieve, zorgzame man. Hij vult nota bene mijn salaris aan tot het niveau van Lisette.’
‘Dat zeg ik, geld, dat is het. Je hoeft zelfs de zaterdagen niet meer te werken. Je kiest voor geld. Je kiest verdomme ordinair voor geld. Dan ben je toch niks meer dan een hoer?’ Het is weg. Wat haar aan mij bond is weg. Mijn boosheid wordt door machteloosheid weggespoeld. Ik pak een flesje bier uit de koelkast. ‘Voel je niks meer voor me?’
‘Ja, natuurlijk wel, maar mijn gevoel naar jou is veranderd sinds jij voor Lisette kiest. Het is toch overdreven om hier een nachtje bij jou te slapen? Jij wil altijd neuken. Als het Lisette niet is dan is het wel Janine.’
Wat een achterbakse, vuile sneer! Ze refereert nog altijd aan zeven jaar geleden, want verder weet ze niks. ‘Dat is laag Joyce, zo laag bij de grond, dat is écht gemeen. Ik wil jou terug. Alleen jou.’
‘Ach kom, zodra Lisette naast je ligt, pak je haar.’
‘O, als je plotseling zo op seks neerkijkt, dan hoef je daar toch ook niet meer naar toe? Je kan toch ook hier bij mij blijven? Als je dat liever hebt, dan ga ik wel naar het kleine slaapkamertje en krijg jij het grote bed.’
‘Nee, je ziet het helemaal verkeerd.’
‘Nee, Joyce, ik zie het niet verkeerd. Jij bent verslaafd geraakt aan je seks met Lisette en Mark. En je bent zo verzot geraakt op dat luxueuze peeskamertje dat dit huis je te min is. En ook ik ben te min voor je. Is dat niet zo? Is het niet zo dat ons huis niet meer goed genoeg voor je is?’
‘Je zal moeten toegeven dat het wonen daar veel plezieriger is dan hier.’
‘Je kiest voor miezertje Mark.’
‘Ik kies niet voor Mark. Ik kies voor mijn gezondheid. Ik kan dit niet langer volhouden.’
Ik ren naar boven, naar de slaapkamer en kan mijn tranen niet meer tegenhouden. Wanneer het gieren vermindert, loop ik weer naar beneden. ‘Ik mis je Joyce, ik mis je zo vreselijk. Ik mis je lach. Ik mis je ‘Hallo lieverd’ als ik thuiskom. Ik mis je voetstappen op de trap. Ik mis je irritant slechte manier van vaatwasser inruimen. Ik mis je slechte gewoonte om altijd iets boven op iets anders te zetten, zodat je altijd twee handen nodig hebt om iets te pakken. Ik mis de manier hoe je je mond om je lepel sluit als je een hap van je dessert neemt. Ik mis je als ik op de bank zit, omdat jij niet tegen mij aan ligt. Ik mis je gevloek als je weer het wachtwoord van je mail vergeten bent. Ik mis je Joyce, ik mis je zo verschrikkelijk.’
‘Het is kapot gegaan. Ik ben het vertrouwen in jou kwijtgeraakt. We kunnen er samen aan werken als je tenminste akkoord kan gaan met mijn voorstel.’
‘Nee, ik kan dat niet. Het is zo triest. Jij kiest voor seks en geld. Jij kiest voor Mark en Lisette. Dat vind ik verschrikkelijk en besef dat ik mijn lieve Joyce van wie ik zoveel hou ben kwijtgeraakt. Maar ik doe niet meer alsof. Het is genoeg geweest. Óf je komt weer helemaal terug óf je blijft bij dat hitsige stel, dat hete vrouwtje en het stiekeme gedoe van dat miezerige mannetje. Ik doe niet meer mee.’

Voor hoofdstuk 11 klik hier

Mis geen enkel hoofdstuk.

Meld je hier aan en ontvang een e-mail zodra het nieuwe hoofdstuk online komt.

.