BEET

In 2014 overleed de partner (rechts op de foto) van Sietske Scholten aan de gevolgen van een tekenbeet. De roman BEET baseerde zij op dit verhaal. BEET staat in de top 10 van ‘Bestbeoordeelde Nederlandstalige literaire romans’ op Bol.com. Deze nagenoeg autobiografisch roman kreeg veel media aandacht o.a. in Margriet, Vrouw Magazine en de Telegraaf.

Fragment uit BEET

Ze zal toch niet …? Ik durf mijn gedachte niet af te maken. Met een trillende hand omvat ik de deurklink om de woonkamer te betreden. Ik ben doodsbang voor wat ik aan zal treffen. Millimeter voor millimeter wordt de opening groter en krijg ik meer zicht op de ruime kamer. Mijn hart klopt in mijn keel. Mijn ademhaling, hoog en snel, krijg ik niet onder controle. Heel voorzichtig steek ik mijn hoofd om de deur. Met Merel dicht tegen mij aangeklemd, scan ik de kamer. Opgelucht merk ik dat Elise hier niet is.
‘Elise?’ roep ik nogmaals, ditmaal richting het trapgat.
Trede voor trede klim ik omhoog. Merel begint te huilen.
‘Sssstt, meisje,’ probeer ik haar te kalmeren.
Mijn hele lichaam trilt. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes als ik op de overloop sta. Met mijn vrije hand duw ik de deur van onze slaapkamer open en ik kijk door mijn wimpers naar Elises plek in ons bed. Ze ligt er niet. Opnieuw voel ik opluchting, terwijl ik in een sneller tempo alle deuren opengooi. Alle kamers zijn leeg. Op zolder zie ik een stapel boeken naast een verhuisdoos en de plaat van het knieschot tegen de witte stoel. Ik pak mijn telefoon uit mijn zak. Met de huilende Merel dicht tegen mij aan kniel ik neer voor de opening en ik schijn met het lampje van mijn telefoon in de donkere ruimte. Het is leeg. Het hele huis is leeg, maar het stelt me allesbehalve gerust. Ik ga zitten tegen de houten knieschotten. Waar kan ze zijn? Merel peilt voortdurend mijn gezichtsuitdrukking. Met een gemaakte lach doe ik een poging haar te bedaren. Ze huilt nog harder.

Ik schrik op van het gerinkel van de deurbel. Ik duw onszelf overeind en loop de trap af. Door het raampje van de voordeur zie ik Kristel, Elises psycholoog, staan.
‘Dag Marjolein, is Elise thuis?’ vraagt ze als ik de deur open.
‘Nee, ze is niet thuis,’ zeg ik peilend, terwijl ik het rillen van mijn lichaam probeer te verbergen.
‘Ze is een uur geleden niet op een afspraak verschenen en ze neemt haar telefoon niet op. Dat is niets voor Elise. Ze belt altijd keurig af als ze niet kan.’
Dit is niet goed. Ik word licht in mijn hoofd en het trillen verergert. Dit is niet goed.
‘Kom verder,’ zeg ik, terwijl ik mij omdraai en in de richting van de woonkamer loop.
Ik voel hoe mijn bewustzijn zich vernauwt. Ik moet zitten. Op de bank leg ik de jammerende Merel onopvallend aan om haar te voeden.
‘Ik weet niet waar Elise is, Kristel. Ik probeer haar al de hele ochtend te bereiken. Ik heb geen idee.’
‘Vind je het goed als ik ook even een rondje loop door het huis?’ vraagt ze.
Ik knik. Dankbaar dat ik niet meer alleen ben.

Wanneer Kristel weer beneden komt en plaatsneemt in de fauteuil tegenover mij, vertel ik haar onsamenhangend over mijn laatste contact met Elise. Over de onrust die ik voelde vannacht. Terwijl ik praat, vraag ik mij af waar ik mijn zoektocht moet starten. Waar kan Elise zijn? Hoe vind ik haar terug? Het gezoem van mijn telefoon onderbreekt ons gesprek.
‘Met Marjolein,’ zeg ik.
‘Met Geertje,’ zegt de moeder van Elise. ‘Heb jij Elise al gesproken?’
‘Nog niet.’ Ik staar in de richting van de voortuin waar ik in een flits twee mensen in donkere kleding het tuinpad op zie lopen. ‘Politie,’ zeg ik verbijsterd, mij nauwelijks beseffend welke boodschap ik daarmee heb afgegeven aan Elises moeder. ‘Ik bel zo terug.’

De deurbel weerklinkt indringend door het hele huis. Mijn ademhaling gaat steeds sneller. Mijn trillen bereikt een toppunt. Kristel opent de voordeur. O god, denk ik bij mijzelf, niet te snel. Spaar me, nog even. Nog niet. Ik hef mijn hand in een poging de twee mensen, een man en een vrouw in politie-uniform, die mijn woonkamer betreden, tegen te houden. Ik wil dit niet. Ze komen dichterbij.
‘Bent u Marjolein Kramer?’ zegt de vrouwelijke agent die vooroploopt.
‘Ja,’ zeg ik en ik kijk haar met grote smekende ogen aan. Zeg het niet, zeg het niet, verzoek ik in gedachten.
De agente gaat naast mij zitten op de bank. En ik zet mij schrap voor de zwaarste klap van mijn leven.
‘We hebben zojuist Elise van Beek dood aangetroffen.’
De stilte explodeert. De zenuwen sterven in mijn lijf. Het rillen verstilt.
Elise is dood.

BEET bestellen?

Ontvang Sietskes roman BEET als e-book of paperback (verzendkosten GRATIS).
Ga naar de roman BEET voor meer informatie.