Hoofdstuk 2

De sfeerverlichting in de kale takken van de hoge bomen op het plein doen een poging romantiek te brengen in het woeste weer. De wind rukt fel aan de paraplu die ik met één hand omklem, en met mijn vrije hand stuur ik mijn fiets over de Brink. Mijn warme winterjas beschermt mijn zwangere lijf tegen de stormachtige novemberkou. Ik rem af voor het Koekhuisje, waar ik mijn fiets gehaast een kwartslag draai en positioneer tegen het ijzeren hekwerk voor het lage raampje. De metalen stang van de paraplu klem ik tussen mijn schouder en kin, terwijl ik met twee handen mijn fiets met een kabelslot vastketen aan het hek. Ineens grijpt een rukwind mijn paraplu en neemt hem meters mee de lucht in. Shit.

Binnen enkele seconden tekenen natte lange slierten haar de contouren van mijn gezicht. Ik zucht en kijk op mijn horloge. Er is geen tijd voor frustratie over mijn verzopen aanblik. Ik pak de paraplu op van de grond. Het doek is gescheurd, constateer ik geërgerd. Ik duw hem in een prullenbak die ik bij het oversteken van de Brink passeer. Een bliksemschicht vindt zijn weg door de lucht en ik versnel mijn pas richting de ingang van Baristo.

Verregend stap ik over de drempel van het café. De donder buldert als de deur achter mij dichtvalt. Ik kijk om mij heen. Op enkele bezette tafeltjes na is het leeg op deze zondagavond. Waar is ze? De zenuwen gieren door mijn lijf, terwijl mijn kind woelt in mijn schoot. En dan herken ik haar van de foto. Achterin op een loungebank kijkt ze naar mij met een vragende blik. Ze staat op als ik naar haar toe loop en zet een paar stappen in mijn richting. Haar bril met markant montuur is beslagen aan de neuszijde, maar haar grijsgroene ogen achter het glas trekken mijn aandacht. Haar oogleden zijn subtiel opgemaakt. Bruine oogschaduw. Een lijntje oogpotlood. Mascara. Haar lippen gestift in een onopvallende kleur. Haar lange haar opgestoken met enkele loshangende dwarse piekjes. Ze draagt cognacbruine leren laarzen met hoge hak. Het leer eindigt vlak onder haar knie, waar haar glanzende huidkleurige panty zichtbaar wordt. Een lange zwarte getailleerde jas complimenteert haar gezette figuur. Ik glimlach naar haar.
‘Marjolein?’ zegt ze met lichte stem.
‘Dan moet jij Elise zijn,’ zeg ik met gepretendeerde zelfverzekerdheid.
Ze steekt haar hand uit en ik voel haar zachte huid onder mijn vingertoppen als ik haar voor het eerst aanraak. Ze pakt haar bijpassende cognacbruine leren tas op van de bank, neemt plaats en richt haar blik op de lege plek naast haar.
‘Kom lekker zitten.’
Onwennig doe ik wat ze vraagt.
‘Wat een weer, hé? Ben je een beetje droog overgekomen?’
Ogenblikkelijk bespeur ik een zachte g.
‘Mijn paraplu vloog weg,’ zeg ik lachend om mijn verregende uiterlijk te verklaren.
Ze lacht met mij mee en observeert mijn haar.
‘Het valt best mee,’ zegt ze bemoedigend.
In haar lieflijke ogen zoek ik naar herkenningspunten van de persoon aan wie ik mij de afgelopen dagen op internet heb blootgegeven.

We bestellen twee cappuccino’s en beginnen aftastend ons gesprek. De herkomst van haar accent definieert ze als ze vertelt dat ze in Noord-Brabant is opgegroeid. Na het afronden van haar studie Psychologie verhuisde ze met haar toenmalige geliefde Jaap naar Deventer. Inmiddels is dat zestien jaar geleden.
‘We betrokken een piepklein appartement in de Spijkerboorsteeg.’
‘De Spijkerboorsteeg!’ roep ik verrast. ‘Ik heb één straat verderop gewoond. In de Grote Overstraat!’
‘Wanneer?’
‘Even denken …’ Ik gooi mijn hoofd in mijn nek. ‘Bianca en ik kwamen er in 2004 wonen.’
‘Jaap en ik verhuisden in 2000 naar de Sint Jurrienstraat.’
Hoewel de jaartallen niet gelijk zijn, verbazen we ons over de parallellen.
‘Misschien hebben we ooit wel eens achter elkaar in de rij gestaan voor een kassa,’ zegt Elise.
‘Ja! Of zat ik aan het tafeltje naast je op een terras. Raar idee, hè?’
Langzaam schuiven we dichter naar elkaar toe op de loungebank en met het verdwijnen van de fysieke afstand verdiepen onze gespreksonderwerpen zich. Binnen een uur voelt het alsof we elkaar al lang kennen.
“You see her when you close your eyes”, hoor ik de muziek van Passenger de ruimte vullen als het gesprek stilvalt. Elises ­veelbetekenende blik doet me gissen naar haar gedachten.
‘Wat vind je van me?’ vraagt ze gedurfd.
Mijn wangen beginnen te gloeien.
‘Ik vind je leuk,’ stamel ik. En ik kijk weg in een poging mijn kwetsbaarheid te beschermen. ‘Je maakt me verlegen, Elise.’ Langzaam sla ik mijn ogen naar haar op. Mijn lichaam tintelt als we oogcontact maken.
‘Ik zou je graag willen zoenen, Marjolein.’
Zonder mijn hoofd te draaien kijk ik om mij heen. Alle aanwezigen zijn geanimeerd in gesprek. Niemand let op ons. De spanning neemt toe, maar ik durf niet.
‘Niet hier,’ fluister ik.
Met mijn hand raak ik haar hand aan en onze vingers strengelen zich in elkaar. We praten verder, terwijl de ruimte tussen onze lichamen zich vermindert van centimeters naar millimeters tot onze bovenbenen elkaar raken. Elise legt haar arm om mij heen. Het voelt goed. Heel goed.
‘Wil je mijn huis zien?’ stelt ze voor.
Ik glimlach en knik. Ik zou graag willen zien hoe ze woont, maar liever nog zou ik haar willen vasthouden. Haar lippen willen kussen.
‘Leuk,’ zeg ik enthousiast en we rekenen af.

De regen valt onophoudelijk en Elise opent haar paraplu. Ik haak mijn arm in die van haar en samen lopen we al pratend via de Brink door de oude straten van het centrum. Bij een doorgang blijft ze staan. Trots wijst ze naar haar middeleeuwse bovenwoning boven de poort. Ik kijk naar de kozijnen waarachter haar huis schuilgaat. Jarenlang fietste ik hier on­nadenkend onderdoor. Onze levens raakten elkaar bijna. Hoe vaak zijn we elkaar gepasseerd? Zonder elkaar te zien. Zonder elkaar te kennen. Elise opent haar voordeur voor mij en ik stap in een smalle gang met een hoge trap.
‘Mijn woonkamer is boven.’
Ze gaat me voor de trap op.

Ik kom terecht in een uitzonderlijk en onverwacht grote woonkamer. Stijlvolle meubels vullen de ruimte. Een prachtige witte buffetkast met een veelheid aan vakjes en laatjes vangt mijn blik. De inrichting is smaakvol. De brocante schatten die Elise in de loop der jaren heeft verzameld, zijn zorgvuldig geplaatst. Windlichten, kandelaren, vazen, decoratieve kop-en-schotels, krukjes, kussentjes, tijdschriftbakken, leren notitieblokjes, suikerpotjes. De materialen, vormen, texturen en kleuren, alles past bij elkaar.
‘Hoe vind je het?’ vraagt ze trots.
‘Prachtig. Je hebt talent voor styling.’
Elise glimt.
‘Eén verdieping hoger zijn mijn badkamer en slaapkamer. Wil je die ook zien?’
‘Graag,’ zeg ik en de spanning in mijn buik neemt toe, terwijl we naar de zolder gaan.

Haar slaapkamer kan, net als haar woonkamer, een decor zijn in een woontijdschrift. Voor de antieke passpiegel, haar pronkstuk, blijft Elise staan en ze wijst mij op de subtiele details van het houtwerk. Ik luister half. Het onmetelijke verlangen om Elise aan te raken overschreeuwt elk woord. Ik buig mij naar haar toe. Elise kijkt mij aan en stopt met praten. Mijn hand raakt haar wang. Haar perzikzachte huid. Ik ruik haar zoete parfum als mijn lippen haar mond naderen. En dan, eindelijk, kus ik haar. Langzaam, liefdevol, teder vinden onze tongen elkaar. De ervaring is intens. Onze eerste kus. Elise legt haar armen om mijn middel en trekt mij dichter naar zich toe. Mijn dikke buik, met mijn dochter spartelend in het vruchtwater, raakt haar buik. Ik zou willen dat dit moment nooit eindigt. Ik voel me compleet. Zonder het te weten heb ik Elise altijd gemist. Het gevoel overvalt me en maakt me emotioneel.
‘Ik wil niet meer weg,’ fluister ik, terwijl de tranen achter mijn ogen branden. Alles valt op zijn plek. ‘Blijf bij me,’ zeg ik in paniek, als ik mij bedenk dat ik haar los moet laten. ‘Kom met mij mee naar huis, Elise. Blijf bij mij slapen.’
Maar in haar ogen zie ik angst. Het is te snel.
‘Ik kom morgen uit mijn werk meteen naar je toe.’
‘Maar misschien voelt het morgen anders.’
‘Dat komt wel goed, Marjolein. We hebben elkaar gevonden,’ zegt ze kalm en sterk.
Het stelt me gerust en geeft mij vertrouwen.
Na een laatste omhelzing loop ik de trap af en kijk ik haar nog één keer aan.
‘Tot morgen, Elise.’
‘Tot morgen, Marjolein.’
Dan sluit ik de deur achter mij en ik loop terug naar mijn fiets op de Brink. De regendruppels die mijn gezicht verkoelen, merk ik niet op. Diep in gedachten verzonken fiets ik naar huis. In mijn buik wordt volop gefladderd. Niet alleen het kleine meisje dat groeit in mijn schoot en levendig laat merken dat ze bestaat, maar ook de vlinders worden sterker. Mijn nieuwe leven is begonnen. Mijn leven met Elise.

Hoofdstuk 3 lezen? klik hier.

BEET bestellen als paperback of e-book?

Ontvang nu 25% korting op de roman BEET
in de webwinkel van Sietske Scholten met couponcode BEET25%
Ga naar: de roman BEET