DE DRIEHOEK van Dick Scholten

Voor hoofdstuk 5 klik hier
Voor hoofdstuk 1 klik hier

Hoofdstuk 6

Een uur later klieft de doorweekte Lisette als een schip door het gordijn van hemelwater naar de voordeur. Ik loop naar de hal om de deur voor haar te openen. ‘Ach Guus, zou jij mijn koffer uit mijn auto kunnen pakken? Ik kan hier mijn auto niet kwijt. Hij staat twee straten verderop.’ In het halletje geeft ze me de sleutels wanneer ik mijn regenjas aantrek. Koffer? Ik zoek in de smalle straatjes die elkaars kopieën zijn. Twee straten verderop is verre van nauwkeurig. Na een minuut of vijf, terwijl koude druppels tussen mijn nek en kraag naar mijn rug sijpelen, zie ik in het felle licht van de bliksem haar hippe mini. Op de achterbank staat een grote koffer.
In de keuken droog ik mijn natte gezicht en handen af en hang de keukenhanddoek om mijn nek, terwijl Lisette met lange uithalen in de woonkamer huilt. Joyce heeft haar arm om haar heen geslagen. Ze zitten samen op de bank. Ik neem tegenover hen op de fauteuil plaats. ‘Mark heeft haar de deur uitgezet, de schoft,’ zegt Joyce. ‘Lisette blijft zolang hier.’
Zo kan het dus ook! Wat Mark doet, had ik ook kunnen doen. Als ik meteen na het Barcelona weekend mijn poot stijf gehouden had, zou dat niet het einde van deze mallemolen zijn geweest nog voor dat het begonnen was? Het heeft geen zin om daaraan te denken, want wat gaat er nu gebeuren? Wil Joyce dat we met z’n drieën in één bed gaan slapen? Voor hoelang? ‘Maar wij hebben geen plaats. We hebben toch geen kamer over? Waar moet ze slapen?’
De donderklap komt tegelijk met de bliksem. Joyce kijkt me boos aan. ‘Doe niet zo moeilijk, man.’
Behalve Lisette, begint ook Lars te huilen. Hij was voor Lisette binnenkwam nog lief aan het spelen met zijn Playmobil. Voor hem zal de donder angstaanjagend klinken en hij hoort ook nog de volwassenen met stemverheffing spreken. Hij ziet Lisette huilen, en volwassenen horen niet te huilen. Hij zal denken dat ze ook bang zijn. Joyce neemt hem op schoot, aait door zijn haar. ‘Rustig maar, er is niets om bang van te zijn.’ Ze kijkt Lisette aan. ‘Neem lekker een douche en kruip even onder de wol. Daar zal je van opknappen.’

Wanneer het weer is opgeklaard, stap ik over mijn angst heen dat die twee bij mijn afwezigheid de hele middag elkaar op bed zullen beminnen en ga met Lars naar de speeltuin. Er zijn wat vriendjes en vriendinnetjes van school. Hij vermaakt zich, onwetend van wat zich tussen zijn ouders afspeelt. De moeder van het vriendje van Lars, die hem gisterochtend kwam ophalen, wijst naar mij. Ze roddelt met een andere vrouw die ongetwijfeld te horen krijgt dat ik de beest uithang zodra mijn vrouw de deur uit is. Zo kan dit gedoe zelfs gevolgen hebben voor Lars. Het joch kan er niks aan doen, maar het is niet anders. Ik kan het niet terugdraaien, hoe vurig ik dat ook wens.

Thuis controleer ik het bed. Het ligt er onveranderd opgemaakt bij. Joyce zet dampende borden spaghetti op tafel.
‘Mag ik weten wat er gebeurd is?’ vraag ik Lisette.
‘Natuurlijk. Ik sprak een vriendin over de telefoon. Misschien heb ik iets gezegd waardoor alarmbellen bij Mark gingen rinkelen. Ik weet het niet. Hij pakte mijn nog ontgrendelde telefoon en bekeek de foto’s. Ik heb in Barcelona stiekem ’s nachts een foto van Joyce gemaakt en vannacht een van jullie twee. Hij had het meteen door.’
‘Ik begrijp niet dat hij niet eerder vragen stelde over de nachten dat je niet thuiskwam. De nachten dat je hier was.’
‘Nee, dat is niet vreemd. Ik heb vriendinnen in Limburg, Groningen, Zeeland. Ik blijf wel vaker nachten weg.’
‘Je bedriegt hem wel vaker.’
‘Guus!’ roept Joyce mij tot de orde, maar ik denk er het mijne van.
‘Ik ben klaar. Mag ik de iPad?’ redt Lars mij.
‘Even dan, want je moet zo naar bed.’

‘We slapen met z’n drieën in bed. We weten dat dat kan,’ zegt Joyce wanneer ik weer plaatsneem in de woonkamer na het voorlezen van Nijntje Op De Fiets aan Lars.
‘Van een gezonde nachtrust is dan geen sprake meer.’
‘Ik bezorg jullie overlast,’ zegt Lisette
Joyce reageert niet op Lisette, maar op mij. ‘Het kan niet anders.’
‘Maar dan wil ik wel dat jij in het midden slaapt,’ zeg ik tegen Joyce. Ik wil haar zo dicht mogelijk bij mij.
‘Oké, als dat voor jou zo belangrijk is.’

Joyce en ik hebben een redelijk breed bed met voldoende ruimte voor twee personen. Joyce als verkoopster en ik als bouwvakker, we hebben allebei een beroep die veel van je fysiek vraagt. Maar het bed is lang niet breed genoeg voor drie personen. We beginnen gedrieën lepeltje-lepeltje. Slapend zoeken mijn bedgenoten en ik naar de meest comfortabele houding. ’s Nachts word ik, bang dat ik uit bed val, meerdere keren wakker. Ik ben dan door Joyce naar de rand van het bed geduwd.
De eerste twee nachten wordt het bed alleen gebruikt om te slapen. Ik kan daar niet zeker van zijn, maar ik ben niet wakker geworden van wellustige bewegingen naast me. De derde nacht, van woensdag op donderdag, voorafgaand aan de dag dat ze allebei niet werken, word ik midden in de nacht gewekt. De twee kunnen zich niet langer bedwingen. Ik doe net alsof ik het niet merk en houd me slapend. De matras golft als de branding op hun steeds heftiger bewegingen. Ondanks dat ze elkaar ‘ssst’ en ‘zachtjes’ toefluisteren, moet het hese hijgen en de langgerekte genotsuitingen op de toppen van hun wellust buiten de kamer hoorbaar zijn. Het is half drie wanneer de deprimerende ervaring ten einde is. ‘Ik hou van je Lisette,’ fluistert Joyce. Ik kijk, of beter, gluur door mijn oogharen. Lisette steunt, bovenop haar liggend, met haar ellebogen aan weerszijden van Joyce’s hoofd. Ze kussen elkaar voor ze woelend een plek naast elkaar zoeken, waarbij de matras opnieuw deint. Nu ligt Lisette naast me.
‘Zie je wel, hij is niet wakker geworden,’ fluistert Lisette.
‘Hm. Ik weet het niet,’ antwoordt Joyce op gedempte toon.
Daarna slaap ik niet meer naast de twee ronkende vrouwen. Om half zes sta ik op. Misschien heb ik Joyce gewekt, want als ik mijn tanden aan het poetsen ben, hoor ik haar binnenkomen en plast ze achter mij op het toilet.
‘Ik heb jullie wel gehoord vannacht.’
‘En dan hou je je slapend?’
‘Wat moet ik anders?’
‘Begrijp je dat je mij daarmee bedriegt? Je gluurt naar ons, terwijl wij ons onbespied wanen.’
‘Ik bemoei me er juist niet mee om jullie ruimte te geven.’
‘Ik heb altijd heel veel van je gehouden, Guus. Nog steeds ben jij mijn man. Nog steeds hou ik van je, maar zo kan ik je toch niet meer vertrouwen? Je vrijt achter mijn rug om met Lisette. Nee, ik kan je niet meer vertrouwen. Zelfs niet als ik denk dat je slaapt.’
Ik zou wat willen zeggen, maar ik kan het niet. Mijn maag is een klomp van ijs en ik voel tranen achter mijn ogen.

Wanneer ik op weg ben naar mijn werk weet ik dat ik haar had moeten antwoorden dat het meer de vraag is of ik háár nog wel kan vertrouwen. Ik parkeer het autootje in de smalle straat voor onze huidige klus. Mijn baas loopt me tegemoet. ‘Guus, ik heb een speciale opdracht voor je. Een haastklus.’
‘We zijn hier nog lang niet klaar.’
‘Klopt, maar de klant betaalt buitensporig veel en eist dat jij het doet.’
‘Zijn we er al eerder geweest?’
‘Ik ken hem niet, maar misschien ben jij er eerder geweest. Ik heb hem wel even gegoogeld. Rijke lui. Ga er nu meteen naar toe. Kijk wat er moet gebeuren en bel me terug.’ Hij geeft me een briefje met adres en telefoonnummer. Ik verstijf bij het lezen van het adres, het adres van Mark en Lisette.
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, dat doe ik niet.’
‘Kom op, man. Ik weet waar hij werkt en ik zou dat bedrijf graag als klant hebben. Ik heb het heus wel afgehouden en gezegd jij nu geen tijd hebt. Maar hij bood op tot aan het driedubbele. Zwart. Toe nou, Guus, dan delen we fifty-fifty.’
‘Wat moet er gebeuren?’
‘Dat wilde hij niet over de telefoon zeggen. Hij wil het met jou bespreken.’
Nou ja, alles heeft z’n prijs en ik kan het geld goed gebruiken om het gat dat de gouden ring voor Joyce in het spaargeld heeft geslagen op te vullen. Ik stap in mijn autootje. Ondanks mijn weerzin ben ik nieuwsgierig waarover Mark mij wil spreken. Het zal niet om een bouwopdracht gaan.

Het is een klein half uur rijden naar het dorp waar Mark en Lisette wonen. De woorden van Joyce van vanochtend echoën nog na tussen mijn oren en ook door mijn nieuwsgierigheid naar wat Mark met mij wil, valt het me lastig mijn aandacht bij het verkeer te houden. Bijna bots ik tegen een zwarte Mercedes bij het invoegen op het korte stukje snelweg die de dorpen met elkaar verbindt.
Aan de rand van het dorp is een villawijk met veel groen, hoge heggen en muren. Een hoge, keurig onderhouden en kaarsrecht gesnoeide liguster onttrekt Marks villa aan het oog. Bij het hek bel ik aan. De twee gietijzeren helften draaien langzaam open en geven mij toegang tot de oprijlaan. Hoewel ik hier eerder ben geweest, verbaas ik me over de grootsheid van de villa. Ik parkeer de Picanto op het grint naast zijn Maserati. Mark is niet veel groter dan Lisette en zij komt nog niet tot mijn schouders. Het kleine kereltje loopt door de grote voordeur naar buiten en zwaait naar me. Het is een graatmager mannetje en hij lijkt nóg magerder geworden sinds hij in rondjes van honderden kilometers met een fanatiek groepje wielrenners traint. Met zijn rood-gele sjaaltje om, doet hij me denken aan zo’n smal kleurig kevertje, die je in onze duinen tegenkomt. Ondanks dat hij net veertig is, schijnt zijn schedelhuid door zijn uitdunnende peper-en-zout kleurige haardos. Hij laat mij binnen en leidt me door de grote hal met een majestueuze trap, naar de keuken. Om de paar tellen schuift hij zijn brilletje tussen zijn wenkbrauwen omhoog. Ik zie dat hij zenuwachtig is. ‘Koffie?’ vraagt hij.
‘Dubbele espresso, kan dat?’
‘Natuurlijk. Neem plaats.’
Ik ga aan de keukentafel zitten. Mark geeft soms feesten en vooral bij mooi weer zitten dan dertig tot veertig mensen bij het zwembad in de door een hovenier tot in de puntjes onderhouden tuin. Het contrast tussen Mark en mij kan niet groter zijn dan dat het is. Ik ben ruim een kop groter en ook veel breder. Hij past wel twee keer in mij, zoals het hele woonoppervlak van ons rijtjeshuis in de woonkamer van zijn miljonairswoning past. Nee, het verschil is enorm en niet alleen wat de huisvesting aangaat. Het salaris van Joyce is onmisbaar om ons huishouden draaiend te houden tegenover Lisette die haar volledige salaris kan spenderen aan merkkleding.
‘Wat moet jij met mijn vrouw, Guus?’
‘Niks Mark. Ik hoef jouw vrouw niet. Wel een lieve meid hoor, maar daar blijft het bij.’
‘Maar je hebt haar geneukt. Volgens mij meer dan één keer.’
‘Klopt, maar had ik het voor het zeggen, dan was dat nooit gebeurd.’ Ik vertel hem alles, van het weekend in Barcelona tot de golvende matras van vannacht.
Hij kijkt me vorsend, met half open ogen, schuin aan. ‘Pies jij vaker naast de pot?’
‘Wat met Lisette gebeurd is, kan ik met de beste wil van de wereld niet vreemdgaan noemen. Lang geleden beging ik een vergissing, nee, een fout. Joyce was verschrikkelijk kwaad.’
‘Wijven, daar moet je je niks van aantrekken. Ze zijn er voor de kinderen, voor koken, voor het huishouden. Hoe kwam ze erachter?’
‘Ik heb het haar meteen verteld. Een relatie gebaseerd op leugens, is geen relatie.’
‘Wie heeft je dat wijsgemaakt? Klinkklare onzin. Wij zijn mannen en mannen zijn niet monogaam. Zodra Lisette van huis is, of als ik voor mijn werk in het buitenland ben, neem ik het ervan.’
‘Waarom ben je dan kwaad op Lisette? Als iemand begrip moet hebben voor wat zij gedaan heeft, ben jij het wel.’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik accepteer dit niet van mijn vrouw. En dan nog lesbisch ook. Is ze nou helemaal van de pot gerukt?’
‘Ik zou het biseksueel noemen. Neem je vrouw terug en ga het gesprek met haar aan.’
Hij staart naar zijn lege kopje en zwijgt.
‘Heb je meer te bespreken? Ik moet terug naar mijn werk.’
Hij schrikt op uit zijn overpeinzingen. “Nog een espresso?”
‘Nee dank je.’
‘Ik heb je voor een hele dag betaald, dus neem een vrije dag.’

Zou hij beseffen dat hij mij kleineert? Zou hij het expres doen omdat ik met zijn vrouw heb geslapen? Of zou hij zo verblind zijn door zijn geld en macht dat hij denkt mij een plezier te doen? Hij kan me wat. Ik laat hem niet bepalen wat ik doe. Bovendien, thuis loop ik kans dat ik de meiden betrap, dat speelt ook een rol en Joyce zal het vreemd vinden dat ik zo vroeg thuis ben. Het gesprek met Mark was van man tot man, met laatdunkende opmerkingen over vrouwen. Nee, het is beter is er niets over te zeggen tegen Joyce en Lisette.

Voor hoofdstuk 7 klik hier

Mis geen enkel hoofdstuk.

Meld je hier aan en ontvang een e-mail zodra het nieuwe hoofdstuk online komt.

.